
Of het nu gaat om de energietransitie, klimaatadaptatie of verdere verdichting in steden: in de ondergrond wordt naar oplossingen gezocht en vaak ook gevonden. Dat is mooi, maar zorg is op zijn plek. Op strategisch ruimtelijk planniveau spelen de potenties en beperkingen vanuit de ondergrond nog nauwelijks een rol in overwegingen. Daardoor kunnen beperkingen in de ondergrond op den duur het realiseren van maatschappelijke doelen belemmeren en worden potenties niet benut. Het pragmatisme op uitvoeringsniveau, waarmee alle wensen nu nog zo goed mogelijk bij elkaar gebracht worden, loopt voor de grote transitieopgaven tegen zijn grenzen aan.
De klimaatverandering was de afgelopen zomer met zijn heftige hittegolven wederom voelbaar. Warmterecords werden verbroken en stedelingen zochten massaal verkoeling buiten de stad. Volgens het Koninklijke Nederlandse Meteorologisch Instituut (KNMI) zullen hittegolven komende jaren vaker voorkomen en heviger zijn. Dit geeft een belangrijke aanleiding om de gehele inrichting van onze steden te herzien. Immers, we willen onze steden ook bij hoge temperaturen leefbaar houden.
Met de verdichtingsopgave waar Amsterdam voor staat van minimaal 50.000 woningen in 2025 is de toename in bouwactiviteiten groot. De ambitie van verdichting staat op gespannen voet met de overlast die bouwprojecten veroorzaken. In stedelijke gebieden heeft drie tot vijf van de tien vrachtwagens een bouwplaats als bestemming en het aantal busjes met personeel en materiaal is nog groter. Hoewel er al veel (technische) oplossingen zijn voor de bouwlogistiek, blijkt door de veelheid aan partijen de optimalisatie van bouwlogistiek vooral een governance- en coordinatievraagstuk. In een Europees onderzoeksproject CIVIC is gewerkt aan een benadering die hierin kan ondersteunen.
De rol van de burger in ruimtelijke planvorming is in verandering. Althans, dat is de gedachte. Het debat hierover is echter niet nieuw. Al in de jaren zestig ontstond een roep om minder technocratisch en top-down tot plannen te komen. In dit artikel bespreken we hoe de kijk op de participatierol van burgers in de loop van de tijd is veranderd en welke weerslag dat had op de praktijk: is er in de loop van de tijd wezenlijk iets veranderd of is er niets nieuws aan de horizon?
The role of the citizen in planning processes is rapidly changing. At least, that's how it is assumed. The debate around this issue is not new. In the 60s, there was a call for less technocratic and top-down planning approach. In this article, we discuss how the perspective on citizen participation in planning has develop in time (in The Netherlands) and what impact it has had on planning practice. De rol van de burger in ruimtelijke planvorming is in verandering. Althans, dat is de gedachte. Het debat hierover is echter niet nieuw. Al in de jaren zestig ontstond een roep om minder technocratisch en top-down tot plannen te komen. In dit artikel bespreken we hoe de kijk op de participatierol van burgers in de loop van de tijd is veranderd en welke weerslag dat had op de praktijk: is er in de loop van de tijd wezenlijk iets veranderd of is er niets nieuws aan de horizon?
Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw is aanzienlijk in achterstandsbuurten geinvesteerd, vaak met weinig blijvende sociaal-economische verbeteringen. Met de huidige economische voorspoed en de toenemende vraag naar betaalbare woningen komt in veel gemeenten een nieuwe ronde van investeringen op gang. Net als in de recente geschiedenis bestaat ook nu vaak de wens bewoners en andere belanghebbenden bij het maken van plannen te betrekken. Maar bestaande planprocedures en organisatieculturen van gemeenten zitten vaak in de weg.
De Nederlandse overheid wil graag dat er meer participatie in de planning komt, zoals blijkt uit de nieuwe Omgevingswet. Hier zitten onder meer de aannames achter dat mensen ‘social leren’ door participatie en dat dat wenselijk is. Maar wat dat sociale leren inhoudt is vaak niet duidelijk. Dit artikel maakt een begin om hier meer grip op te krijgen, door een psychologie-geinspireerde benadering te nemen op wat sociaal leren inhoudt en wat de betrokken partijen met sociaal leren kunnen in de planningspraktijk.
Incrementele gebiedsontwikkeling heeft sinds de crisis aan populariteit gewonnen. Door flexibeler in te spelen op veranderende omstandigheden en de capaciteiten van bewoners, ondernemers en gebruikers van een plek te benutten, gaat de kwaliteit van gebieden omhoog en neemt het draagvlak voor ontwikkelingen toe. Wat blijft hiervan over nu de crisis voorbij is? Dit artikel gaat op zoek naar sleutels voor het succesvol handhaven van een incrementele aanpak.
Jane Jacobs schroomde het conflict niet als het ging om het centraal stellen van de menselijke maat in de planvorming. Gepassioneerd streed ze voor haar ideaalbeeld van buurten met ruimte voor sociaal contact en lokaal initiatief. Tegenwoordig zien we minder activisme, burgerparticipatie in verschillende vormen kwam hiervoor in de plaats. Vaak veranderen deze trajecten van burgerparticipatie niet veel meer aan het plan of de ideeen erachter. De vraag rijst: zijn we toe aan meer ‘Janes’?
Samenwerking wordt doorgaans beschouwd als iets positiefs. In het ruimtelijke beleidsdomein krijgt het vaak de vorm van publiek-private samenwerking. Hoewel het nastrevenswaardig is en populair is onder politici en beleidsmakers, blijkt PPS vaak makkelijker gezegd dan gedaan. Er wordt dan ook veel onderzoek gedaan naar hoe PPS succesvol kan worden georganiseerd. Welke inzichten levert recent PPS onderzoek hierover op? En hoe dragen de artikelen in dit themanummer bij aan de kennisontwikkeling over PPS?