
Een verslag van het jaarlijkse symposium van de Nederlandse Vereniging voor Stem-, Spraak- en Taalpathologie (NVSST) gehouden op vrijdag 6 maart 2026.
Achtergrond De diagnose Taalontwikkelingsstoornis (TOS) en Spraakontwikkelingsstoornis (SOS) komen vaak samen voor bij jonge kinderen. De groepsbehandeling voor peuters met een expressieve TOS bestaat uit een groepsinterventie gericht op de taalontwikkeling. Voor kinderen met TOS en SOS kan het daarnaast ook belangrijk zijn om de fonologische ontwikkeling te stimuleren in de groepsinterventie. Effectonderzoek van een groepsinterventie op de spraakproductie is beperkt in Nederland. Doel Onderzoek naar het effect van een gecombineerde groepsinterventie gericht op taal en spraak in vergelijking met een groepsinterventie alleen gericht op taal, op de spraakproductie van jonge kinderen met een expressieve TOS. Methode 41 peuters met een expressieve TOS van de vroegbehandeling van Koninklijke Kentalis namen deel aan een interventiestudie met drie meetmomenten (begin-, tussen- en eindmeting). De kinderen zijn verdeeld in een controlegroep, die een care-as-usual groepsbehandeling gericht op taal kreeg en een interventiegroep die dezelfde taalinterventie kreeg, waarbij twee van de vijf groepsactiviteiten per week vervangen werden door een spraakinterventie. Er werden vijf groepsactiviteiten per week uitgevoerd gedurende achttien weken. Primaire uitkomstmaten om de spraakproductie in kaart te brengen waren percentage consonanten correct-revised (PCC-R) en phonological mean length of utterance (PMLU). Resultaten Alle kinderen gingen significant vooruit in PCC-R en PMLU. Er werd geen significant verschil gevonden tussen de twee groepen in de spraakproductie. Conclusie Een groepsinterventie gericht op alleen taal, of spraak en taal laten positieve vooruitgang zien op de spraakproductie van peuters met expressieve TOS op de vroegbehandeling Kentalis.
In dit themanummer is tot nu toe vooral gekeken naar de diagnostiek van spraakontwikkelingsstoornissen. In dit artikel worden de mogelijkheden voor behandeling besproken. Na procesdiagnostiek, gekoppeld aan het model van Terband en gebaseerd op het schema van Levelt, volgt een logopedische diagnose die richting geeft aan de therapie. Elke logopedische diagnose vraagt een andere insteek en behandeling, met aandacht voor de problematiek van het betreffende kind. De verschillende therapiemethoden en behandelprogramma’s die op dit moment beschikbaar zijn voor het Nederlands worden besproken, gerangschikt naar de problemen waarvoor ze zijn ontwikkeld. Principes en opbouw worden beschreven, alsmede de beschikbare evidentie.
Grammaticale analyses van spontane taal kunnen een belangrijke rol vervullen in de handelingsgerichte diagnostiek van taalontwikkelingsstoornissen. Logopedisten zijn doorgaans bekend met analysemethoden zoals TARSP en STAP en onderkennen hun belang. Het gebruik ervan is echter beperkt, omdat er veel tijd mee gemoeid is en specifieke kennis en kunde noodzakelijk zijn. In dit artikel beschrijven we een computerapplicatie, SASTA, die grammaticale analyses van kindertaaluitingen semi-automatisch uitvoert. Daarmee kan het uitvoeren van een spontane-taalanalyse sneller en makkelijker worden. We schetsen hoe SASTA werkt, met een accent op de verwerking van afwijkende grammaticale structuren en incomplete of incorrecte realisaties van woorden, die in kindertaal frequent voorkomen. Uit tests waarin de analyses die SASTA genereert vergeleken worden met die van geoefende menselijke analisten blijkt dat SASTA een accuratesse heeft van 80% of meer. De verwachting is dat de prestaties door het lopende onderzoek- en ontwikkelwerk verder zullen verbeteren en we concluderen dat SASTA de potentie heeft om een waardevol instrument te worden in de diagnostiek van taalontwikkelingsstoornissen.
Abstracts of the International Science of Aphasia Conference, Copenhagen, September 2025
Innerlijke taal is een term voor stille zelfspraak of het gebruik van woorden tijdens het denkproces. Er wordt verondersteld dat innerlijke taal een rol speelt bij het aansturen van gedrag, met name bij het uitvoeren van complexe taken. In de literatuur is voorgesteld dat de mondelinge taalproblemen van kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) ervoor zorgen dat ook hun innerlijke taal is aangedaan. Veronderstelde tekorten in innerlijke taal zouden ook de gedragsregulatie bemoeilijken. In dit artikel bespreken we verschillende studies naar innerlijke taal. We beschrijven hoe innerlijke taal gemeten wordt en de uitkomsten van onderzoek naar innerlijke taal bij kinderen met en zonder TOS. Er is momenteel onvoldoende evidentie dat training gericht op innerlijke taal effectief is in de behandeling van kinderen met TOS.
Het stellen van een diagnose bij een spraakontwikkelingsstoornis (SOS) is vanwege de complexiteit ervan een veel besproken onderwerp. Het classificeren van een SOS op basis van symptomen biedt niet altijd duidelijkheid over de te volgen therapie, omdat er veel overlappende symptomen zijn tussen de verschillende subtypen van een SOS. Voor het stellen van een diagnose kunnen verschillende spraakonderzoeken gebruikt worden. Het is belangrijk om te weten op welk onderdeel/onderdelen van het spraakproces een onderzoek zich richt om de resultaten van het onderzoek te kunnen interpreteren, hypotheses te vormen, te toetsen en een diagnose te stellen. Door bij het onderzoek niet alleen uit te gaan van symptomen van de spraak (symptoomdiagnostiek), maar ook te kijken naar de onderliggende processen (procesdiagnostiek) kan richting gegeven worden aan een diagnose en effectieve behandeling. Dit wordt geïllustreerd door middel van een casus.
Achtergrond: Kinderen met een spraakontwikkelingsstoornis (SOS) vormen een heterogene groep, met betrekking tot ernst, etiologie, proximale oorzaken, spraakfoutkenmerken en respons op behandeling. Baby’s en peuters ontwikkelen spraak en taal in interactie met neurologische rijping, en algemene perceptuele, motorische en cognitieve vaardigheden in een sociaal-emotionele context. Doel: Na een korte introductie in psycholinguïstische modellen van spraakproductie en niveaus van causaliteit, presenteren we in dit artikel een diepgaand overzicht van mechanismen en processen, en de dynamiek daarvan, die cruciaal zijn in de typische spraakontwikkeling. Deze basismechanismen en -processen zijn: [1] neurofysiologische motorische verfijning, dat wil zeggen de rijpende articulatorische mechanismen die brabbelen en de meer gedifferentieerde productie van grotere spraakpatronen aansturen; [2] sensomotorische integratie, die de sturende functie vormt van fonetiek naar fonologie; en [3] motorische hiërarchie en articulatorische fonologie die de organisatie van articulatorische bewegingen in lettergrepen beschrijft, die ten grondslag liggen aan vloeiende spraakproductie. Deze dynamiek heeft gevolgen voor de diagnose en verdere analyse van SOS bij kinderen. Wij betogen dat de huidige diagnostische classificatiesystemen geen recht doen aan het multi-level, multifactoriële en interactieve karakter van de onderliggende mechanismen en processen. Dit wordt geïllustreerd door een recente Nederlandse studie die verschillende prestatieprofielen opleverde bij kinderen met SOS, wat een dimensionale interpretatie van onderliggende verwerkingstekorten mogelijk maakt. Conclusies: Analyses van reguliere behandelingen met betrekking tot de behandeldoelen en de spraakmechanismen die worden aangepakt, laten zien dat behandelprogramma's behoorlijk transparant zijn in hun doelen en aanpak, en hoe ze bijdragen aan het verhelpen van specifieke tekorten of mechanismen. Recente studies naar klinisch redeneren laten zien dat de klinische uitdaging voor logopedisten is om de meest geschikte behandeling op het meest geschikte moment te kunnen selecteren voor elk individueel kind met SOS. Wij betogen dat een procesgerichte aanpak voordelen heeft in vergelijking met categorische diagnostiek als een toolbox om te helpen bij de interpretatie van het spraakprofiel in onderliggende tekorten en deze te verbinden met een specifieke interventieaanpak en behandelingsdoel.
Een verslag van het jaarlijkse symposium van de Nederlandse Vereniging voor Stem-, Spraak- en Taalpathologie (NVSST) gehouden op vrijdag 28 maart 2025.
Purpose: Oral language abilities are essential for children's development and participation. Educational and healthcare professionals should know about language development and feel competent in delivering support to children with language problems or disorders. We evaluated the knowledge base, the self-rated competence and the reasons for this experienced competence in different groups of Dutch professionals, to gain insight in the qualities and needs in the educational support chain. Method: Respondents were 33 speech-language therapists (SLT), 57 ambulatory support professionals (ASP), 46 teachers and special educational needs coordinators (SENCo) at mainstream education and 23 teachers and SENCos at special education. In an online questionnaire, these professionals judged 24 statements concerning oral language and language disorders as being true/false to reflect the knowledge base. They also rated their competence in supporting children with language difficulties on a scale of 1-10 and were asked to indicate why they were able to provide this support, as well as when they would be better able to support these children. Results: There were no differences between the groups on the knowledge base task. The groups did differ on the self-rated competence (mainstream < special education and ASP < SLT). Scores on the knowledge base task and self-rated competence were not correlated. As facilitators to their self-rated competence, respondents referred mostly to their own knowledge, experience and training, whereas most barriers concerned problems within the educational and health care system. Conclusions: The findings point to the need for investing into the knowledge base and competence of the different groups of professionals, as well as removing external and collaboration-based barriers in the educational and healthcare context.
Abstracts of the International Science of Aphasia Conference, University of Geneva, September 2024
Doel: In deze studie werd onderzocht in hoeverre taaluitingen van jonge kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) tijdens een naverteltaak (semigestructureerde context) aanvullende informatie bieden over hun grammaticale vaardigheden en ontwikkeling naast taaluitingen tijdens een spelsituatie (niet-gestructureerde context). De resultaten van dit onderzoek kunnen logopedisten en klinisch linguïsten helpen bij het kiezen van een gepaste elicitatiecontext voor een spontane taalanalyse, waarmee grammaticale ontwikkeling gemonitord kan worden en goede behandeldoelen opgesteld kunnen worden. Methode: Taalsamples van 27 kinderen met (een vermoeden van) TOS, in de leeftijd van drie tot zes jaar oud, werden onderzocht op twee meetmomenten met een interval van drie maanden. De kinderen zijn verdeeld in twee leeftijdsgroepen. Er is een vergelijking gemaakt tussen uitingen in een combinatiecontext (naverteltaak + spelsituatie) en uitingen in enkel een spelsituatie. Per meetmoment is het effect van elicitatiecontext op grammaticale complexiteit, diversiteit en correctheid geanalyseerd. Ook is gekeken naar het effect van elicitatiecontext op de grammaticale ontwikkeling tussen de meetmomenten. Resultaten: De resultaten laten zien dat de grammaticale complexiteit en diversiteit bij vijf- en zes-jarigen hoger zijn als een verteltaak wordt meegenomen in het taalsample, ten opzichte van enkel spontane taaluitingen tijdens een spelsituatie. Bij drie- en vierjarigen is geen effect van elicitatiecontext gevonden. Werkwoordvervoeging is bij beide leeftijdsgroepen minder correct als er een verteltaak wordt meegenomen. De elicitatiecontext heeft geen invloed op de grammaticale ontwikkeling over tijd. Conclusies: De huidige studie laat zien dat verteltaken complexere en meer diverse uitingen uitlokken bij vijf- en zesjarige kinderen met TOS dan een spelsituatie. Verteltaken geven inzicht in grammaticale sterktes en zwaktes van deze kinderen die niet aan het licht zouden komen als alleen naar een spelsituatie wordt gekeken. Dit benadrukt het belang voor de klinische praktijk om na te denken over de elicitatiecontext van een spontane taalanalyse voor het opstellen van behandeldoelen.
Een verslag van het jaarlijkse symposium van de Nederlandse Vereniging voor Stem-, Spraak- en Taalpathologie (NVSST) gehouden op vrijdag 15 maart 2024.
Een verslag van het jaarlijkse symposium van de Nederlandse Vereniging voor Stem-, Spraak- en Taalpathologie (NVSST) gehouden op vrijdag 10 maart 2023.
Achtergrond en doel Kinderen met epilepsie scoren bij taalonderzoek meestal significant lager dan gezonde leeftijdgenoten. Tot beter begrip hiervan vergeleken wij kinderen met farmacoresistente epilepsie met gezonde leeftijdgenoten in een benoemtaak als index van het lexicon. Onderzoeksvragen waren: verschillen de groepen in aantallen goede benoemingen en/of in hoeveelheid baat bij geboden hulp; hebben verwervingsleeftijd en gebruiksfrequentie van de woorden (namen van de afgebeelde voorwerpen) invloed; zijn de verschillen door de kindertijd heen gelijk; en is invloed vaststelbaar van epilepsievariabelen, demografische variabelen (leeftijd, geslacht, intelligentiequotiënt), en van de omgevingsvariabele opleiding van de ouders. Methode Vijfenveertig kinderen met farmacoresistente epilepsie (leeftijd 3,4 - 17,9 jaar; 20 meisjes) en 86 gezonde, per patiënt op geslacht en leeftijd gematchte kinderen/jongeren benoemden lijntekeningen van voorwerpen die verwezen naar vroeggeleerde hoogfrequente (VH), vroeggeleerde laagfrequente (VL) en laatgeleerde laagfrequente woorden (LL). Bij een willekeurig deel van de onjuiste of uitblijvende benoemingen gaf de onderzoeker hulp door een vraag te stellen naar de functie van het afgebeelde voorwerp. Als dat niet hielp, volgde een fonologische aanwijzing. Goede benoemingen en baat bij de hulp werden per categorie woorden geanalyseerd. Groepsverschillen werden niet-parametrisch getoetst. Exploratief werden met lineaire regressie ziekte- en andere invloeden geanalyseerd. Resultaten Er was geen significant verschil in de percentages epilepsie- en controlekinderen die direct alle plaatjes goed benoemden. Ook de percentages kinderen die baat hadden bij hulp verschilden niet significant tussen beide groepen. Wel waren de gemiddelde benoemscores van de kinderen met epilepsie lager dan die van de controlekinderen. Dit groepsverschil verdween met toenemende leeftijd in de VH- en VL-woorden maar niet in de LL-woorden. De baat bij hulp nam in beide groepen toe met de leeftijd als het ging om VH- en VL-woorden. Voor LL-woorden toonde de epilepsiegroep minder leeftijdgebonden toename. Hoe vroeger in het leven de epilepsie was ontstaan, des te zwakker was het benoemen van de plaatjes die verwezen naar LL-woorden. Conclusie Kinderen met farmacoresistente epilepsie kunnen hun achterstand in ontwikkeling van het lexicon althans voor vroeg geleerde woorden inhalen. Ook bij kinderen met epilepsie stimuleert hulp (i.c. vragen naar de functie van het voorwerp of een fonologische aanwijzing) het zoeken in het lexicon.
This study aimed to investigate the development of the production of place of articulation of three children with auditory brainstem implants (ABI) in spontaneous speech production. The main participants were three children implanted with an ABI. They were compared against two different control groups: children with a cochlear implant (CI) and children with normal hearing (NH). Data was obtained fromspontaneous speech between the children and their caregivers. For each word production, the place of articulation of both the target word as the child’s own production was identified. This was broadly identified in three categories: labial, coronal and dorsal. The analysis revealed that in general, the coronal place of articulation was most used in all children’s own production, as well as in the target words, except for one child with ABI, who showed a preference for labials. In terms of accuracy, labial place of articulation was produced more accurately than the coronal place of articulation for all children. The dorsal place of articulation had very low accuracy probabilities. Children with ABI had the lowest accuracy rates. When the place of articulation was not correctly produced, they were often omitted instead of replaced by another place of articulation. It was concluded that the children with ABI benefit from their device, but still have a long way to go to catch up to their peers. It is suggested that sign language is needed to guarantee smooth communication. Keywords: auditory brainstem implantation; pediatric; oral language, place of articulation; labial; coronal; dorsal
Abstracts and programme of the International Science of Aphasia Conference, University of Bordeaux, September 12-15, 2022
This paper studies the acquisition of Russian pronominal gender by Dutch-Russian simultaneous bilinguals (4;3-7;11) growing up in the Netherlands. The performance of the bilingual group is compared to that of age-matched monolinguals with and without developmental language disorder (DLD). We hypothesize that reduced exposure to Russian in the minority-language context may lead to delays in language development, comparable to problems attested in DLD (in this case due to reduced intake). The results of a narrative elicitation task demonstrate that both monolingual groups performed at ceiling from age 4 onwards. Monolingual children with DLD were as accurate at using pronominal gender as their unimpaired peers from the earliest ages studied, which supports the processing accounts of DLD taking morphological richness of the target language into account. In contrast, 4-year-old bilinguals performed around chance level. The performance of the bilingual group improved with age and reached the monolingual level only by age 7. The results suggest that reduced input has more impact on the acquisition of gender in a morphologically rich language, whereas the possible effects of DLD are no longer visible after age 3.
Dit artikel is de inleiding op het direct hierna volgende (Oonk e.a. 2022) waar een nieuw praktijkmodel over het ontstaan en ontwikkeling van stotteren wordt voorgesteld. In de dagelijkse praktijk van vooral Nederlandstalige logopedisten (-stottertherapeuten) is tot nu toe veel gebruik gemaakt van het klinische werkmodel van Bertens (1994; 2017). Dit model gaat uit van een primaire neuromusculaire timingsstoornis, welke zich niet alleen uit in het spreken, maar ook in algemene zin aanwezig is. Dit model echter, is aan revisie toe. Volgens de recente literatuur is de algemene aard van die timingstoornis niet bewezen, en zijn er veel vroegere (meer primaire) factoren aantoonbaar van belang bij het ontstaan van stotteren, met name in de genetica en in de neurologie. In dit artikel wordt deze literatuur kort samengevat, alsmede worden enkele recente modellen omschreven. Met name regulatie en terugkoppeling krijgen in recente modellen meer aandacht. Er is geen volledigheid nagestreefd, maar dit artikel is meer een tutoriale opmaat voor het hierna te presenteren model.