
De Nederlandse euthanasiepraktijk ondergaat al langere tijd een proces van onderzoek en evaluatie. In het huidige debat worden cruciale begrippen als zelfbeschikking, individualiteit, rationaliteit, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid voornamelijk normerend en als dragende begrippen gehanteerd. Een van de problematische aspecten in dit cluster is de suggestie dat een leven begrepen kan worden vanuit een autonoom besluit, zonder zich te voegen in de samenhang van het concrete menselijk leven als relationeel, contextueel en historisch-belichaamd. Omdat het ‘ervaren’ lijden binnen de persoonscontext en de gebezigde argumentatie vaker verwoord worden vanuit een existentieel kader dan vanuit de medische situatie, zou het kader van de euthanasievraag moeten gaan om de onderkenning ervan als ‘zorgvraag’, en wel door de euthanasievraag ‘vanuit het leven’ te begrijpen. Een euthanasievraag vanuit het leven begrijpen, betekent dat de zelfbeschikking ‘binnen de relatie’ als een relationeel proces voor de patient inhoud en betekenis kan krijgen. De inhoudelijke behandeling van het verzoek vindt daarbinnen plaats. ‘Hoe’ er kennis van het uitzichtloos ondraaglijk lijden wordt verkregen is een epistemische vraag evenals ‘wie’ er van dit lijden kennisneemt. De wet gaat er nu van uit dat de hoofdbehandelaar zelfstandig kennis opdoet binnen het uitzichtloos ondraaglijk lijden, waar de consultatie door de tweede, onafhankelijk arts overwegend procedureel van aard is. De leidende gedachte achter deze studie is het zoeken naar verbindingen tussen de wettelijke zorgvuldigheidsvoorwaarden enerzijds en een hermeneutisch, relationeel proces tussen arts(en) en patient anderzijds, gebaseerd op het concrete menselijk leven. Dit artikel schetst de thematiek vanuit de levensechte praktijk met intermitterende reflecties op die praktijk, met als bedoeling de complexiteit van een dergelijk proces weer te geven. Het betreft geen standpuntbepaling of een voorschrift van ‘wat er zou moeten gebeuren’; het betreft een levensecht verslag van ‘wat zich kan tonen’ binnen een per definitie moeilijk proces naar euthanasie. Het vinden van een ethische route binnen de schijnbaar strijdige uitgangspunten vormt een wezenlijke opgave.
De praktijk van opvoeding en de pedagogische theorievorming zijn in hoge mate afhankelijk van de concrete samenleving waarin ze plaatsvinden. Religieus geinspireerd opvoedingshandelen en pedagogisch denken ontsnappen niet aan deze gesitueerdheid. Kenmerkend voor religieuze pedagogieen is wel dat ze voortdurend uitgedaagd worden tot een ‘kritische dialoog’ tussen traditionele wijsheden en actuele realiteiten. Telkens weer moet worden uitgemaakt wat wezenlijk is en wat cultureel afhankelijk is, wat kan of moet worden behouden en wat voor verandering – en verbetering – vatbaar is. Voor moslims in de migratie is dit de vraag naar wat een islamitische opvoeding kan zijn in een samenleving die niet alleen niet homogeen islamitisch is, maar die ook sociaal-cultureel-economisch erg verschillend is. In welke mate moeten en kunnen de overgeleverde islamitische pedagogische modellen en schema’s die gecultiveerd werden in de landen van herkomst, hier en nu in de migratie worden aangepast aan de huidige maatschappelijke situatie? Wat is wezenlijk voor een islamitische opvoeding en wat is bijkomstig, want immers cultureel bepaald? In deze bijdrage wordt deze thematiek op een iets ander niveau bekeken: met name het niveau van pedagogische reflectie en theorievorming waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen (1) opvoedingspraktijken, (2) praktijktheorieen die vorm krijgen in pedagogisch advies en opvoedingsondersteuning, en (3) de meer conceptuele opvoedingsfilosofische reflectie. Vertrekkend van een concreet voorstel voor een ‘Nederlandse islamitische pedagogie’, zullen we de islamitische pedagogische denkbeelden die in dat voorstel voorondersteld worden, expliciteren. Meer bepaald zullen we in deze bijdrage wat langer stilstaan bij de dialectische opvoedingsfilosofie van Zahra al Zeehra als exemplarisch voorbeeld van een hedendaagse ‘moderne’ islamitische wijsgerige pedagogiek.
In de seminariereeks 'Debating multiculturalism van 18 maart 2013 was Eva Brems, professor Mensenrechten van de Universiteit Gent en lid van het Belgisch federaal parlement te gast om een toelichting te geven bij het ontstaan van de wet die het bedekken van het gezicht in Belgie verbiedt. Vanuit kwalitatief onderzoek dat in dezelfde periode werd opgezet als de wet tot stand kwam, wordt de motivatie van de wetgever kritisch in vraag gesteld.
Weergave van de discussie na de presentatie van Eva Brems in Het Hollands College op 18 maart 2013. Over de tijdsgeest, de publieke opinie, eigentijdse 'vervolging' en onverdraagzaamheid in onze samenleving tav Islam.