
Bijwerkingencentrum Lareb ontving in een periode van 12,5 jaar (01-01-20212 tot en met 31-07-2025) 70 meldingen van injectieplaatsabcessen na vaccinatie bij kinderen tot 2 jaar. Bij een gemiddelde van 170.000 levendgeborene per jaar komt dit neer op een reporting rate van 0.0033%. Deze meldingen omvatten zowel infectieuze als steriele abcessen en werden geanalyseerd volgens de Brighton criteria. Het doel van deze analayse was om de verschillende kenmerken van deze abcessen te beschrijven, ze te vergelijken met internationale richtlijnen, de impact en mogelijke oorzaken te bespreken. De analyse toonde aan dat abcessen het meest gerapporteerd werden bij kinderen in de eerste zes maanden na geboorte (61,4%), veelal na toediening van het DKTP-Hib-hepB vaccin. 39 meldingen betroffen Infectieuze abcessen, 19 steriele abcessen en bij 12 was de oorsprong van het abces onbekend. Infectieuze abcessen werden -indien positief gekweekt- meestal veroorzaakt door grampositieve bacteriën. Steriele abcessen vertoonden een langere latentietijd dan infectieuze abcessen (21 dagen versus 14 dagen). Op basis van deze meldingen leken infectieuze abcessen, in vergelijking tot steriele abcessen, iets vaker te leiden tot koorts en medische interventies. Bij steriele abcessen werd wat vaker aanvullende diagnostiek gemeld. Steriele abcessen zijn mogelijk gerelateerd aan een vertraagde immuunreactie, hoewel het exacte mechanisme hiervan onduidelijk is. De meldingen bij Lareb tonen aan dat injectieplaatsabcessen, hoewel zeer zeldzaam, voorkomen na vaccinatie bij kinderen < 2 jaar. Kennis over de verschillende vormen van abcesvorming is belangrijk voor zorgverleners, zodat deze mogelijke complicatie tijdig herkend kan worden.
Inleiding De jeugdgezondheidszorg (JGZ) kan ouders in de prenatale periode beter ondersteunen door passende zorg te bieden. Er is echter weinig bekend over de specifieke prenatale ondersteuningsbehoeften van vrouwen die zwanger zijn van hun eerste kind. Dit onderzoek heeft als doel inzicht te krijgen in de informatiebehoeften en voorkeuren voor de vormgeving van een prenataal JGZ‑aanbod onder deze doelgroep. Methode Een kwalitatief onderzoeksdesign gebaseerd op Q-methodology werd toegepast. Tussen september 2023 en januari 2024 zijn 13 participanten geïncludeerd via het maternaal vaccinatieconsult. Via semi-gestructureerde interviews zijn behoeften en voorkeuren voor een JGZ-aanbod verkend. Audioregistraties van de interviews zijn verbatim getranscribeerd, gecodeerd en thematisch geanalyseerd. Resultaten Drie overkoepelende thema’s met betrekking tot informatiebehoeften kwamen naar voren: 1) geboorte baby, 2) gezond opgroeien en 3) opvoeding en ouderschap. Participanten gaven aan dat zij naast feitelijke informatie ook behoefte hebben aan aandacht voor de emotionele impact van deze onderwerpen. Wat betreft de vormgeving van ondersteuning werd maatwerk, actieve partnerbetrokkenheid en een cultuursensitieve benadering belangrijk gevonden. Beschouwing Dit onderzoek is het eerste onderzoek dat een prioritering geeft aan de inhoudelijke onderwerpen in Nederlandstalige prenatale JGZ gespreks- en signaleringsmethodieken. De resultaten benadrukken kansen om vroegtijdige preventieve zorg beter af te stemmen op ouderlijke verwachtingen.
Jonge kinderen ervaren regelmatig lichamelijke klachten, zoals buikpijn of een schaafwond. Hoe zij hiermee om leren gaan kan bijdragen aan de vorming van hun ideeën en gedrag rond gezondheid en ziekte later in hun leven. Dit kan omschreven worden als ziektebenadering: hoe iemand klachten herkent, inschat, erover praat en hulp zoekt. Ouders spelen hierin een grote rol, omdat jonge kinderen leren van de reacties van hun ouders. Zo worden ziektebenaderingen tussen generaties doorgegeven. Inzicht in deze processen maakt dat we gezinnen in de toekomst beter kunnen ondersteunen bij het ontwikkelen van een helpende ziektebenadering. In dit proefschrift zijn kleuters onderzocht, omdat over ziektebenaderingen op deze leeftijd relatief weinig bekend is. Hiervoor zijn veel verschillende methoden gebruikt: interviews met zowel kinderen als volwassenen, vragenlijsten, observaties op het consultatiebureau en prentenboeken over lichamelijke klachten. Samen laten de onderzoeken in dit proefschrift zien hoe ziektebenaderingen zich in de vroege kindertijd ontwikkelen en bieden zij zowel een basis voor vervolgonderzoek als concrete aanknopingspunten voor de praktijk.
Inleiding: In de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) wordt de ontwikkeling van kinderen (0-4 jaar) gemonitord met het Van Wiechenonderzoek (VWO) gericht op vaste contactmomenten en het opsporen van ontwikkelingsachterstanden. Om ouders actiever te betrekken en flexibilisering te ondersteunen is de werkwijze Van Wiechen Continu (VWC) door het bepalen en valideren van leeftijdspercentielen voor VWO-kenmerkeen en het ontwikkelen van de VWC werkwijze met inbreng van professionals en ouders. Methode: VWC leeftijdspercentielen zijn bepaald met het D-scoremodel en Nederlandse referentiewaarden. In drie pilotstudies is de werkwijze VWC ontwikkeld, getest en aangepast volgens de Plan-Do-Check-Adjust aanpak. Werksessies en evaluaties met JGZ-professionals en ouders leverden input voor doorontwikkeling. Resultaten: Leeftijdspercentielen sluiten grotendeels aan bij de afnameleeftijden van het huidige VWO. VWC is verfijnd op basis van feedback en wordt positief ontvangen door professionals en ouders. Koppeling met het digitaal dossier JGZ en gerichte training van JGZ-professionals zijn belangrijk voor implementatie. Beschouwing: De leeftijdspercentielen van VWC maken flexibele afname ten aanzien van leeftijd en niveau mogelijk. Het pilot proces heeft ervoor gezorgd dat de werkwijze goed aansluit bij wensen van zowel ouders als professionals. VWC biedt daarmee een innovatieve aanpassing van het VWO en an bijdragen aan een toekomstbestendig JGZ.
Inleiding Effectief Kansrijke Start-beleid vereist inzicht in de verdeling van ongunstige geboorte-uitkomsten binnen de bevolking. Deze studie beschrijft ongelijkheid in ongunstige geboorte-uitkomsten naar opleidingsachtergrond van de moeder. Methode Landelijke registratiedata (Perined, Centraal Bureau van de Statistiek) van alle eenlinggeboorten in Nederland (2016–2019; n=639.007) werden gekoppeld. Ongunstige uitkomsten (doodgeboorte, neonatale sterfte, vroeggeboorte, te klein voor zwangerschapsduur, Apgar-score op 5 minuten <7, opname op neonatale intensive care, ernstige aangeboren afwijkingen) werden geanalyseerd voor vijf opleidingscategorieën. Resultaten Eén op de zes geboorten had een ongunstige uitkomst. Risico’s namen trapsgewijs toe in relatie tot genoten opleiding, van 13,5% (master) tot 21,1% (basisonderwijs). Het absolute aantal ongunstige geboorte-uitkomsten was het hoogst in de omvangrijke middengroep met een gematigd risico. Jaarlijks zouden 3703 (95%BI: 3357-4049) ongunstige uitkomsten (14,7% [95%BI: 13,3-16,0]) vermeden worden bij een populatie-breed risico gelijk aan dat van aan de hoogstopgeleiden. Neonatale sterfte was 2,25 keer (95%BI: 1,71-2,79) en doodgeboorten 2,94 keer (95%BI: 2,33-3,55) zo hoog in de laagste versus hoogste opleidingsgroep. Sterfte zou met circa een derde afnemen als de gehele bevolking de sterftecijfers had van de hoogstopgeleiden (populatie attributieve fractie [PAF]doodgeboorte=35,0% [24,4-45,6%]; PAFneonatale sterfte=27,1% [14,4-39,7%]). Ongelijkheden waren kleiner voor de overige uitkomsten (RR-bereik=1,32-1,77; PAF-bereik=13,8-17,7%). Beschouwing Ongelijkheid in geboorte-uitkomsten raakt de hele Nederlandse samenleving. Ondersteuning voor de groepen met het hoogste risico is belangrijk, maar niet genoeg. De grootste gezondheidswinst op populatieniveau is te behalen door het verkleinen van gezondheidsverschillen tussen álle opleidingsgroepen. Dit vraagt om verbreding van het Kansrijke Start programma, door inbedding van populatie-brede primaire preventie.
Doel Jeugdzorg ondersteunt gezinnen met opvoedproblemen. Jeugdzorggebruik kan mogelijk deels voorkomen worden door vroegtijdige preventieve ondersteuning. Wij ontwikkelden risicomodellen voor het voorspellen van jeugdzorggebruik bij kinderen van 0-5 jaar ter ondersteuning van vroeg-signalering en gerichte preventie. Methoden We gebruikten registratiedata voor alle geboortes in Nederland (2015-2019). Predictoren omvatten buurt- en huishoudkenmerken, sociaaleconomische status, gezondheid en gedrag van ouders, en geboorte-uitkomsten. We ontwikkelden Cox-regressiemodellen voor vier beoordelingsmomenten: één jaar vóór geboorte, bij geboorte, één jaar en twee jaar na geboorte. Resultaten Van 776.559 geboortes, ontvingen 32.290 kinderen minstens één jeugdzorgtraject (4,2%). De modellen hadden een redelijk goed onderscheidend vermogen. Een jaar vóór geboorte was de oppervlakte onder de ROC-curve (AUC) 0,760. De AUC verbeterde minimaal bij elk volgend beoordelingsmoment, tot 0,798 op twee jaar na geboorte. De sterkste voorspellers waren eerder jeugdzorggebruik, opleidingsniveau (ouders), gebruik van psychiatrische medicatie (moeder), en arbeidsstatus (moeder). Wanneer 10% van het cohort met het hoogste risico op jeugdzorg als positief wordt geclassificeerd, was de negatief voorspellende waarde hoog (≥0,972) en de positief voorspellende waarde laag (≤0,164). Conclusie Vroeg-signalering op basis van onze modellen zou gezinnen kunnen ondersteunen alvorens de overbelaste jeugdzorg wordt ingeschakeld, mits de gevolgen van vals-positieve testen kunnen worden beperkt.
Een kansrijke start voor alle kinderen is een belangrijke bestuurlijke opgave voor gemeenten. Gemeenten hebben in het nationaal actieprogramma Kansrijke Start (vanaf 2026 geborgd binnen VWS) de opdracht om middels lokale coalities de samenwerking tussen het medisch en sociaal domein te versterken. Verbetering van vroegsignalering van ondersteuning van gezinnen in kwetsbare omstandigheden staan centraal in gemeentelijk Kansrijke Start beleid. Big data kunnen helpen bij het versterken van gemeentelijk beleid voor een kansrijke start. Maar er zijn ook risico's. Hoe kun je op een acceptabele en betekenissvolle manier big data gebruiken voor het versterken van gemeentelijk beleid? Dit hebben wij onderzocht in het onderzoek “Betekenisvol Datagebruik voor een Kansrijke Start”. In dit essay beschrijf ik onze belangrijkste lessen en concrete handvatten om op een betekenisvolle en acceptabele manier Kansrijke Start beleid te versterken.
Inleiding De jeugdgezondheidszorg (JGZ) speelt een belangrijke rol in het vroegtijdig signaleren van gezondheidsrisico’s bij kinderen. Het C-4PO project ontwikkelt voorspellende modellen en technologieën, waaronder het Joint Automatic Measurement and Evaluation System (JAMES), om vroegsignalering en preventieve zorg te ondersteunen. Digitale beslisondersteuning kan professionals helpen bij het inschatten en bespreken van gezondheidsrisico’s met ouders. Methode Bevindingen uit interviews en vragenlijsten zijn gebruikt voor iteratief ontwerp van JAMES met JGZ-professionals. Aansluitend is JAMES verkennend geevalueerd in een gebruikerssessie en focusgroep met jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen, die werkten met een stand-alone prototype en fictieve casussen. De evaluatie richtte zich op de bruikbaarheid, aansluiting bij het werkproces en ondersteuning bij vroegsignalering en risico communicatie. Resultaten Professionals beoordeelden JAMES als gebruiksvriendelijk en waardeerden vooral de visuele ondersteuning bij het communiceren van risico’s richting ouders. De voorspellingen werden als behulpzaam ervaren, maar kwamen niet altijd overeen met de professionele inschatting, met name bij jonge kinderen. Daarnaast benoemden professionals ethische aandachtspunten bij het gebruik van gevoelige sociaaldemografische gegevens. Beschouwing JAMES wordt door JGZ-professionals ervaren als ondersteunend bij vroegsignalering en risicocommunicatie en biedt potentieel voor verdere toepassing binnen de JGZ. Verdere ontwikkeling van de voorspellende modellen en expliciete aandacht voor ethische vraagstukken blijven daarbij noodzakelijk. Bredere pilots kunnen bijdragen aan het versterken van de toepasbaarheid en meerwaarde van JAMES in uiteenlopende JGZ- contexten.
Inleiding: Ondanks dat maternale kinkhoestvaccinatie (MKV) effectief is in het beschermen van zuigelingen tegen kinkhoest, blijft de vaccinatiegraad suboptimaal. Opmerkelijk is dat de vaccinatiegraad tegen kinkhoest onder zuigelingen hoger ligt. Deze studie onderzocht welke determinanten bijdragen aan het niet accepteren van de MKV, bij primipara die de intentie hebben vaccinaties voor hun zuigeling uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) accepteren. Methode: Een kwalitatief onderzoek met semigestructureerde interviews werd uitgevoerd onder moeders die geen MKV hadden geaccepteerd, maar de intentie hadden hun zuigeling volgens het RVP te vaccineren. De interviews werden getranscribeerd en geanalyseerd met de Thematic Codebook Analysis methode. Resultaten: Analyse van interviews met tien primipara liet zien dat misvattingen, gebrekkige informatievoorziening mede door versnippering van zorg en zorgen over mogelijke (milde) bijwerkingen belangrijke redenen zijn om de MKV niet te accepteren. Zwanger zijn maakte het besluitvormingsproces complexer. Ook praktische barrières, zoals onbekendheid met de jeugdgezondheidszorg (JGZ), bemoeilijkten de beslissing. Beschouwing: Belangrijk is dat JGZ en verloskundige zorgverleners beter aansluiten op de belevingswereld van zwangeren met gerichte counseling die inspeelt op hun misvattingen en zorgen. Praktische drempels moeten worden verlaagd. Een betere samenwerking tussen verloskundige zorgverleners en de JGZ is hierbij essentieel, aangezien de JGZ deze zwangeren nu onvoldoende kan bereiken.
Het proefschrift had als doel inzicht te verkrijgen in de verschillende factoren die verband zouden kunnen houden met de psychosociale gezondheid van jonge kinderen. De deelvragen richten zich op 1) sociaaleconomische indicatoren van het gezin en migratieachtergrond in samenhang met psychosociale gezondheid, 2) de associatie tussen stressvolle levensgebeurtenissen en psychosociale gezondheid van kinderen, en 3) factoren die samenhangen met het wel of niet hulp zoeken door ouders voor de psychosociale gezondheid van hun kind evenals de factoren die ervaren (opvoed) stress van ouders beïnvloeden. De studies die beschreven staan in het proefschrift hebben voornamelijk gebruik gemaakt van data verzameld in het ‘Mag het ietsje minder zijn’ project, ZonMW, 2014-2015. Ook een systematische review is opgenomen, waarbij factoren zijn onderzocht die samenhangen met de ervaren opvoedstress door ouders. Het proefschrift biedt een overzicht van de individuele, ouderlijke en gezins-gerelateerde factoren die verband houden met de algemene gezondheid en de psychosociale gezondheid van kinderen. Uit de literatuurstudie bleek dat een aantal factoren, zoals ouderlijke depressie, sterk geassocieerd zijn met de stress die ouders ervaren in de opvoeding. Het proefschrift onderschrijft de belangrijke rol van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) in het tijdig opsporen van mogelijke psychosociale problemen en het ondersteunen van ouders.
Inleiding: Steeds minder ouders in Nederland laten hun kinderen tot twee jaar (volledig) vaccineren. Het vertrouwen in vaccinaties na 2020 in Nederland is niet hersteld, zoals elders in Europa. Dit onderzoek verkent de achterliggende factoren van de dalende vaccinatiegraad en de eventuele rol van de coronapandemie hierbij. Methode: Online zijn semigestructureerde (groeps) intervies uitgevoerd, bij zeventien jeugdgezondheidszorgprofessionals en twintig ouders van kinderen tot twee jaar. Deze ouders twijfelden over het vaccineren van hun kind of kozen voor niet of gedeeltelijk vaccineren. De data zijn thematisch geanalyseerd. Resultaten: Door de coronapandemie werden ouders kritischer en ervaarden zij meer wantrouwen en weerstand ten aanzien van kindvaccinaties. Mogelijke oorzaken hiervan waren de snelheid van de ontwikkeling van de coronavaccins, de onvolledige bescherming die coronavaccins boden, het vaak milde ziekteverloop van covid en beperking van keuzevrijheid. Andere mogelijke verklaringen voor de dalende vaccinatiegraad zijn angst voor bijwerkingen, onbekendheid met ziekten waartegen gevaccineerd wordt en veranderingen in het Rijksvaccinatieprogramma. Beschouwing: De coronapandemie lijkt een belangrijke rol te hebben gespeeld bij de dalende vaccinatiegraad onder kinderen tot twee jaar. Het onderzoek biedt concrete aangrijpingspunten ter verbetering van de vaccinatiegraad wat betreft communicatie richting ouders, ondersteuning van professionals en organisatorische aspecten.
Verschillende onderzoeken tonen aan dat taalproblemen, gedragsproblemen en ouderlijke stress samen kunnen voorkomen bij kinderen. Er is echter weinig bekend over de relatie tussen deze domeinen bij peuters met (een vermoeden van) een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Deze studie onderzocht de relaties tussen taalvaardigheid, gedrag en ouderlijke stress bij peuters met een vermoeden van TOS en of deze relaties verschillen bij kinderen met verschillende typen taalproblemen. De gegevens van 185 kinderen met een vermoeden van TOS (gemiddelde leeftijd 38 maanden) werden verzameld middels Routine Outcome Monitoring. Kinderen werden onderverdeeld in twee groepen: Kinderen met receptieve en expressieve problemen (REP) en kinderen met enkel expressieve problemen (EP). De relaties werden geanalyseerd met behulp van een Structural Equation Modelling analyse. De resultaten lieten zien dat een betere receptieve taal samenhing met minder internaliserende en externaliserende gedragsproblemen, zoals gerapporteerd door pedagogisch behandelaars. Er werd geen relatie gevonden tussen taalvaardigheid en ouderlijke stress. Er zijn ook geen verschillen gevonden in de relatie tussen taalvaardigheid, gedrag en ouderlijke stress tussen kinderen met REP en kinderen met EP. Ons onderzoek toont aan dat wanneer men kijkt naar specifieke taaldomeinen, het patroon van associaties tussen taal en gedrag complexer wordt, omdat er relaties bestaan tussen sommige specifieke taaldomeinen en gedrag, maar niet tussen al deze domeinen.
Deze themaserie laat zien hoe data kunnen bijdragen aan een kansrijke start voor alle kinderen. Het ZonMw-programma Big Data en Kansrijke Start maakt duidelijk dat data helpen om patronen en risico’s vroeg te herkennen, maar pas waarde krijgen in combinatie met praktijkkennis en toepassing in de dagelijkse zorg. De artikelen tonen verschillende toepassingen. Voorspelmodellen, zoals ontwikkeld binnen C-4PO en toegepast via JAMES, ondersteunen professionals bij het duiden van risico’s en het voeren van het gesprek met ouders. Praktijksimulaties laten zien dat implementatie meer vraagt dan techniek, zoals scholing, aanpassing van werkprocessen en goede inbedding in de praktijk. Daarnaast laten studies op basis van landelijke registratiedata zien dat jeugdzorggebruik en geboorte-uitkomsten al vroeg samenhangen met gezins- en sociaaleconomische factoren. Ongelijkheid blijkt trapsgewijs toe te nemen over de hele samenleving, wat vraagt om zowel gerichte ondersteuning als populatiebreed beleid. Gezamenlijk laten de bijdragen zien dat data de JGZ kunnen versterken, mits ze worden ingebed in professioneel handelen en het gesprek met ouders. De bevindingen laten ook zien dat datagebruik niet neutraal is en vraagt om zorgvuldige interpretatie en aandacht voor acceptatie en risico’s. De beweging naar een datagedreven praktijk is daarmee vooral een inhoudelijke en professionele ontwikkeling.
De prevalentie van obesitas bij kinderen en jongeren neemt wereldwijd toe en vormt een ernstig gezondheidsprobleem, met negatieve fysieke, psychologische en sociale gevolgen. Dit proefschrift richt zich op het begrijpen van de leefwereld van kinderen met obesitas en het betrekken van hen bij onderzoek en zorg. Het benadrukt het belang van kindparticipatie, omdat dit helpt om gevoelige thema’s, zoals pesten en een laag zelfbeeld, beter te begrijpen. Daarnaast beschrijft het de uitdagingen van jeugdverpleegkundigen tijdens de pandemie en de noodzaak van toegankelijke zorg. Dit proefschrift laat ook zien hoe kinderen de impact van de pandemie hebben ervaren en hoe hun adviezen kunnen bijdragen aan betere obesitaszorg, zoals veilige en plezierige groepsactiviteiten. Tot slot geeft het proefschrift inzicht en handvatten in, hoe participatieve en creatieve benaderingen kunnen bijdragen aan onderzoek en zorg voor kinderen met obesitas door samen te werken met kinderen als ervaringsdeskundigen en kennisdragende partners in onderzoek en zorg. Het proefschrift eindigt met het laatste woord voor de kinderen, verhalende tekeningen van kinderen uit Amsterdam Zuidoost worden getoond als erkenning van hun bijdrage en onderstreept de noodzaak om kinderen actief te betrekken bij obesitaszorg en -onderzoek om interventies beter af te stemmen op hun leefwereld en behoeften.
Inleiding Het signaleren en bespreekbaar maken van ongezond leefstijlgedrag van jonge kinderen kan bijdragen aan leefstijlverbetering en het voorkomen gezondheidsproblemen. Een leefstijlsignaleringsinstrument zou hierbij kunnen ondersteunen door knelpunten te signaleren, bewustwording te vergroten en ouders gericht advies te geven. Deze studie evalueert “FLY-Kids”, een leefstijlsignaleringsinstrument voor kinderen van 1-3 jaar. Methode FLY-Kids bestaat uit 10 meerkeuzevragen over leefstijl, die ouders voorafgaand aan een jeugdgezondheidszorg(JGZ)-consult invullen. De antwoorden worden vergeleken met de richtlijnen en het resultaat is een leefstijloverzicht dat het gesprek ondersteunt en dienst als basis voor eventueel leefstijladvies. Deze studie evalueerde het instrument op effect, haalbaarheid en gebruiksvriendelijkheid volgens eindgebruikers. Resultaten Ouders (n=201) scoorden gemiddeld 3,2 (SD 1,6) leefstijlitems buiten de norm; 3% van de kinderen voldeed aan alle aanbevelingen. Ongezonde voeding en schermtijd weken het vaakst af. Ouders en professionals (n=15) beoordeelden FLY-Kids als haalbaar en gebruiksvriendelijk. Het aantal items buiten de norm correleerde positief met het aantal besproken items tijdens het consult (r=0,47, p<0,001). Beschouwing/conclusie FLY-Kids lijkt geschikt voor het signaleren van een ongezonde leefstijl en het bespreken hiervan binnen de JGZ. Eindgebruikers beoordeelden het instrument als haalbaar en gebruiksvriendelijk. Verder onderzoek naar de langetermijneffecten op de leefstijl van jonge kinderen is noodzakelijk.
Het aantal gerapporteerde infecties van mazelen is het afgelopen jaar fors toegenomen. In Nederland wordt tegen mazelen gevaccineerd met het BMR-vaccin MMRVaxPro®. Dit is één van de twee levend verzwakte vaccins binnen het Rijksvaccinatieprogramma. Dit vaccin werd toegediend bij 14 maanden en opnieuw bij 9 jaar. In 2025 is de tweede BMR-vaccinatie naar de leeftijd van 3 jaar verplaatst. De latentietijden van bijwerkingen na vaccinatie met levend verzwakte vaccins kan afwijken van die bij geïnactiveerde vaccins. Zo wordt de latentietijd van het BMR-vaccin in de literatuur beschreven als tussen de 5 tot 12 dagen. Bijwerkingencentrum Lareb is het meld- en kenniscentrum voor bijwerkingen van geneesmiddelen, vaccins en andere gezondheidsproducten. De spontane meldingen op het BMR-vaccin zijn verzameld, opgedeeld in leeftijdscategorieën en de latentietijden van verschillende reacties zijn geanalyseerd. De latentietijden in de spontane meldingen komen overeen met de literatuur. Het eerste BMR-vaccin geeft een bimodaal patroon van de latentietijden van vermoede bijwerkingen met een duidelijke tweede piek tussen de 5-12 dagen. Bij een vaccinatiemoment met het BMR-vaccin in combinatie met een geinactiveerd vaccin is een bimodaal patroon te verwachten bij latentietijden. Het tweede BMR-vaccin toont daarentegen alleen een piek in de eerste paar dagen na vaccinatie. Een duidelijke tweede piek is hier niet zichtbaar. Deze resultaten suggereren dat een tweede BMR-vaccinatie minder reactogeen is door reeds opgebouwde immuniteit na de eerste BMR-vaccinatie.
Inleiding Prematuur geboren kinderen zijn extra kwetsbaar voor infecties waardoor het belangrijk is dat deze groep kinderen tijdig gevaccineerd wordt binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Zowel a terme alsook prematuur geboren kinderen kunnen bijwerkingen ontwikkelen na toediening van vaccinaties. Dit artikel gaat in op de frequentie en het patroon van klachten dat kan optreden bij prematuren na vaccinatie waarbij wordt vergeleken met a term geboren kinderen. Methode Data zijn verzameld uit het spontane meldsysteem van Bijwerkingencentrum Lareb voor kinderen die gevaccineerd zijn binnen de eerste 6 maanden van het RVP. Hierbij werden de reacties vergeleken tussen prematuur en a term geboren kinderen. Resultaten Er is een top 10 samengesteld van de meest gemelde reacties voor zowel prematuur als a term geboren kinderen. Binnen de groep prematuren is gekeken naar apnoe en of de mate van prematuriteit een rol speelt en of er een verschil is tussen de prikmomenten. Beschouwing Het bijwerkingenpatroon bij prematuur geboren kinderen na vaccinatie binnen het RVP verschilt niet veel van dat van a term geboren kinderen. Een uitzondering hierop zijn cardiorespiratoire reacties die meer worden gemeld bij prematuren. Deze reacties treden vooral op na het eerste prikmoment en bij kinderen met ernstige of extreme (geboren na een zwangerschapsduur < 28 weken) prematuriteit. Koorts en injectieplaatsreacties worden minder vaak gemeld bij prematuren, hetgeen mogelijk verklaard kan worden door hun meer immature immuunsysteem.
Inleiding De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) richtlijn ‘Voeding en eetgedrag’ heeft onder andere als doel het tijdig signaleren van ( een risico op) een voedingsstoornis of eetstoornis. Op basis van consensus zijn verwijscriteria op basis van biometrische gegevens opgesteld. Het doel van dit onderzoek is nagaan tot hoeveel verwijzingen de verwijscriteria zullen leiden bij strikt toepassen hiervan. Methoden Een retrospectieve cohortstudie. Er is gebruik gemaakt van geanonimiseerde biometrische gegevens, verzameld bij 38.026 kinderen waarvan de ouders in Nederland zijn geboren (2012-2016, JGZ Den Haag). Per leeftijdsperiode is er voor elk verwijscriterium gericht op lengte en/of gewicht onderzocht welk percentage kinderen hieraan voldoet. Resultaten Het percentage kinderen dat voldeed aan de verwijscriteria varieerde, afhankelijk van het criterium, van 2% (afname in gewicht-naar-lengte, 1-<4 jaar) tot 85% (afname in lengtegroei, 0 - <1 jaar). Beschouwing Een deel van de verwijscriteria gebaseerd op biometrische gegevens leidt bij strikte toepassing tot hoge verwijspercentages. Vanwege de belangrijke rol van omgevings- en psychosociale factoren zijn anamnese en lichamelijk van cruciaal belang bij het bepalen van de vervolgstappen. Verschillende verwijscriteria dienen op korte termijn te worden aangepast. Tevens dient er een validatiestudie te worden opgezet.
Inleiding Voorschoolse educatie (VE) richt zich op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen tussen 2,5-4 jaar. Gemeenten bepalen zelf de VE-verwijscriteria. Tot begin 2024 waren de verwijscriteria in Utrecht gebaseerd op opleidingsniveau (mbo1 of lager) en migratieachtergrond (niet-westers) van de ouders en de inschatting van een Jeugdgezondheidszorg (JGZ)-professional. Doel van onze studie was te onderzoeken of verwijscriteria op basis van Van Wiechenkenmerken en de JGZ-beoordeling spraak-taalontwikkeling, eventueel gecombineerd met achtergrondkenmerken, beter voorspellend zijn voor een ontwikkelingsachterstand. Methode Gegevens uit het Digitaal Dossier JGZ van kinderen geboren tussen 2011-2014 werden geanalyseerd. Speciaal onderwijs tussen 4-12 jaar werd als proxy voor een ontwikkelingsachterstand gebruikt en was de primaire uitkomstmaat. Speciaal onderwijs cluster 2 was de secundaire uitkomstmaat. Aangezien VE bedoeld is voor kinderen met (risico op) een ontwikkelingsachterstand, zou een effectief signaleringssysteem deze kinderen tijdig moeten kunnen identificeren. Van Wiechenkenmerken, de JGZ-beoordeling spraak-taalontwikkeling en achtergrondkenmerken waren de voorspellers. Resultaten De sensitiviteit voor speciaal onderwijs, sensitiviteit voor cluster 2 scholen, specificiteit en het verwijspercentage ten opzichte van de totale populatie waren respectievelijk 55% (n=299), 62% (n=80), 83% (n=9.940) en 18% (n=10.239) als wordt uitgegaan van opleidingsnivo en migratieachtergrond van de ouders. Als ook de inschatting van de JGZ-professional wordt meegenomen, waren deze percentages 75%, 85%, 76% en 26%. Met verwijscriteria gebaseerd op Van Wiechenkenmerken, JGZ-beoordeling van de spraak-taalontwikkeling en gecombineerd met geslacht en opleiding van de ouders, waren deze percentages 74%, 96%, 85% en 17%. Beschouwing Verwijscriteria die de ontwikkeling van het kind centraal stellen voorspellen beter welke kinderen risico lopen op een ontwikkelingsachterstand. Deze bevinding ondersteunt het gebruik van ontwikkelingsgerichte signalering bij de toeleiding naar VE. Gerichte selectie zou de basis moeten vormen van toekomstig effectonderzoek.
Inleiding: Opvoeden in de huidige maatschappij brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Toch is er al sinds 2008 geen gezinsbeleid meer in Nederland. Gezinsvriendelijkheid is cruciaal voor het welzijn van zowel gezinnen als de maatschappij als geheel. De vraag is welke factoren ouders als essentieel beschouwen voor gezinsvriendelijkheid in Nederland. Methode: De open tekstvelden van de jaarlijks landelijk uitgezette digitale vragenlijst ‘Staat van het gezin’ zijn kwalitatief geanalyseerd. Resultaten: Ouders (N = 3.026) gaven de gezinsvriendelijkheid in Nederland gemiddeld een 7,1. Zes kernfactoren vanuit ouderperspectief werden geïdentificeerd: combineren werk en gezin, publieke ruimte, maatschappij, financieel, ouderschap en opvoeden, en kindzorg-ondersteunende organisaties. Beschouwing: Het gebruik van het ouderperspectief uit deze studie kan een eerste stap zijn in de richting van te formuleren gezinsbeleid. Voor jeugdgezondheidszorg (JGZ) professionals biedt dit onderzoek aanknopingspunten om door te gaan met het ondersteunen van ouders en hun normaliserende aanpak.