
Maatschappelijke spanningen vinden hun weerslag in het hoger onderwijs als minisamenleving. Hogescholen worden geconfronteerd met druk om bepaalde standpunten in te nemen of grenzen te stellen vanuit één dominant perspectief; keuzes die kunnen schuren met het belang van diversiteit en inclusie. Dit artikel onderzoekt hoe het hoger onderwijs door middel van ‘professionele dialoog’ ruimte kan bieden aan uiteenlopende perspectieven van, en wederzijds begrip tussen, studenten en medewerkers, en zo kan bijdragen aan diversiteit en inclusie. Op basis van een casestudy bij een hogeschool in de Randstad zijn twee dialogen geanalyseerd waarin studenten, medewerkers en bestuurders in gesprek gingen over ethische aspecten bij externe samenwerkingen. De resultaten laten zien dat onder (heetgebakerde) oproepen tot een specifiek soort handelen, verschillende betekeniskaders (frames) schuil gaan, en dat deze vraagstukken gekenmerkt worden door dilemma’s en paradoxen die zich niet eenvoudig laten oplossen. Professionele dialoog maakte het mogelijk deze conflicten zodanig te onderzoeken dat meerstemmigheid een plek krijgt, zonder dat consensus behoeft te worden nagestreefd. De studie concludeert dat professionele dialoog niet zozeer bijdraagt aan het oplossen van conflicten, maar aan het zichtbaar en hanteerbaar maken van onderliggende spanningen, dilemma’s en paradoxen. Juist door deze niet te reduceren tot eenduidige keuzes, ontstaat ruimte voor meerstemmigheid en wederzijds begrip. Daarmee kan professionele dialoog worden begrepen als een betekenisgevende bestuurlijke praktijk die inclusie versterkt, doordat uiteenlopende perspectieven daadwerkelijk een plek krijgen in het proces van oordeelsvorming en besluitvorming.
Onbekendheid van opleiders met de opleidingsregelgeving wat betreft de beoordeling van de competenties van arts-assistenten in opleiding tot specialist (aios) kan nadelig zijn voor de kwaliteit van de zorg en de veiligheid van patiënten. Dit proefschrift onderzocht hoe opleiders en opleidingsinstellingen omgingen met de onderwijsregelgeving voor de medische vervolgopleidingen, met focus op geschillen over de competenties van arts-assistenten, waaronder hun professionaliteit. Het onderzoek maakte gebruik van literatuur over begeleiding en beoordeling binnen het medisch onderwijs en onderzocht de toepassing van opleidingsregelgeving bij geschilbeslechting. Hieruit bleek dat aios volgens hun opleiders vaak op meerdere CanMEDS competenties tegelijk tekortschoten, waaronder professionaliteit, communicatie, management en medische expertise. Tekortkomingen in introspectie (zelfreflectie) leken samen te hangen met meerdere als onvoldoende beoordeelde competenties. Opleidingsgeschillen zijn dus een waardevolle bron voor opleiders, medische specialisaties en opleidingsziekenhuizen om op te reflecteren, waardoor regelgeving en opleidingsprogramma’s, waaronder hun begeleidings- en bemiddelingsprocedures, kunnen worden verbeterd. Ziekenhuizen kunnen bijvoorbeeld leren van de (longitudinale) manier waarop beoordeling, begeleiding en bemiddeling binnen de huisartsenopleiding zijn vormgegeven.
Effectieve peerfeedback draagt sterk bij aan de leerprestaties van studenten, maar de implementatie ervan in het hoger onderwijs blijkt uitdagend. Studenten waarderen peerfeedback vaak onvoldoende, terwijl eerdere studies laten zien dat goede ondersteuning hun waardering kan vergroten. Omdat studenten de waarde ervan niet inzien, maken zij bovendien vaak geen gebruik van peerfeedback of weten zij deze niet op de juiste wijze toe te passen. Hoewel er in de literatuur verschillende suggesties te vinden zijn om peerfeedbackprocessen expliciet in te richten, zijn deze nog nauwelijks empirisch getoetst. Deze studie had als doel om te onderzoeken of een expliciet ingericht peerfeedbackproces leidt tot een hogere waardering van peerfeedback door studenten. De onderzoeksvraag luidde: ‘Wat is het effect op de waardering van peerfeedback door hogeschoolstudenten wanneer zij expliciete ondersteuning van hun docenten krijgen tijdens het peerfeedbackproces?’ Met een mixed-method design zijn kwantitatieve en kwalitatieve data verzameld. In totaal namen 163 hogeschoolstudenten van drie hogescholen deel, verspreid over zes opleidingen. Studenten vulden pre- en post-tests in en docenten namen deel aan semigestructureerde interviews. De resultaten laten een significant positief effect zien: studenten waardeerden peerfeedback hoger na deelname aan een expliciet ingericht proces. Docenten herkenden deze uitkomst en benadrukten dat studenten hierdoor leerden open en kritisch feedback te geven en te ontvangen. Dit onderzoek draagt bij aan de ontwikkeling van peerfeedbackgeletterdheid en de verbetering van leerprestaties.
Onderzoek in binnen- en buitenland heeft aangetoond dat de studentenpopulaties in het hoger gezondheidszorgonderwijs geen afspiegeling zijn van de samenleving, en daarmee de patiëntenpopulatie. Ook lijken factoren zoals migratieachtergrond en sekse van invloed op de instroom alsmede de door- en uitstroom in het gezondheidszorgonderwijs. Om meer inzicht in deze factoren te verwerven, is een retrospectief, beschrijvend, niet-hypothese-toetsend, cohortonderzoek uitgevoerd op basis van de instroom‑, doorstroom- en uitstroomgegevens van 2783 bachelor- en 2443 masterstudenten geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam (2014/2015–2021/2022). Hieruit blijkt een lichte toename van studenten met een niet-westerse migratieachtergrond over de jaren heen, hoewel deze groep ondervertegenwoordigd blijft ten opzichte van de algemene populatie in de regio Amsterdam. Daarnaast lopen studenten met een migratieachtergrond vaker vertraging op dan studenten zonder migratieachtergrond, en vallen mannelijke studenten over het algemeen vaker uit dan vrouwelijke studenten in de bacheloropleiding. Grote curriculumveranderingen, zoals de invoering van een nieuw bachelorcurriculum of de overgang naar online onderwijs tijdens de covid-19 pandemie, lijken tot sterkere verschillen in studievoortgang tussen studentgroepen te leiden. Hoewel bacherlordiplomarendementen tussen de groepen weinig verschillen, is het masterdiploma-rendement voor studenten zonder migratieachtergrond hoger dan voor studenten met een niet-westerse achtergrond. Verder onderzoek is nodig om deze verschillen beter te begrijpen en te verkleinen.
Feedback speelt een cruciale rol in het hoger onderwijs doordat het studenten inzicht geeft in hun leerproces en hun ontwikkeling richting leeruitkomsten. In de praktijk wordt feedback echter vaak onvoldoende benut, mede omdat docenten het lastig vinden om feedback zó vorm te geven dat deze daadwerkelijk bijdraagt aan leren en studenten hierin te begeleiden. Dit vraagt om versterking van docentfeedbackgeletterdheid: het vermogen om effectieve feedbackprocessen te ontwerpen, te begeleiden en te modelleren. Om docenten hierin te ondersteunen is een open-access e-learningmodule ontwikkeld, gericht op het versterken van docentfeedbackgeletterdheid. De e-learning is ontworpen op basis van zes evidence-informed ontwerpprincipes: flexibiliteit, interactiviteit, multimediale inzet, duidelijke structuur, praktijkgerichtheid en blended learning. Het ontwerponderzoek naar de e-learning werd uitgevoerd bij 17 docenten van Fontys Hogeschool. Uit de voor- en nametingen blijkt een duidelijke groei in feedbackvaardigheden, zoals het toepassen van feedbackstrategieën, het begeleiden van studenten bij het benutten van feedback en het ontwerpen en integreren van feedbackprocessen in het onderwijs. Deelnemers waardeerden vooral de praktische toepasbaarheid, de verbinding tussen theorie en praktijk en de ruimte voor reflectie. De resultaten tonen aan dat de e-learning een laagdrempelige en effectieve professionaliseringsvorm biedt om docentfeedbackgeletterdheid in het hoger onderwijs te versterken.
Ondernemers, overheid, kennis/onderwijsinstellingen en gebruikers werken in toenemende mate samen in Living Labs. Daarbij wordt innovatie van dienst, werkwijze of product beoogd. De samenwerking wordt ideaaltypisch, zo niet rooskleurig voorgesteld als open, cocreatief en gelijkwaardig. Tegelijkertijd blijkt op deze rooskleurige voorstelling van zaken het nodige af te dingen; spanningen en conflicten worden verbloemd. Allerlei oplossingen voor deze laatsten kunnen de toets de kritiek niet doorstaan, vooral omdat ze spanningen en conflicten trachten te vermijden door te veronderstellen dat partners zich op enig moment belangeloos opstellen. Op basis van de onderkenning van een permanente dynamiek van spanningen en conflicten in samenwerking, worden met behulp van het begrip agonistisch pluralisme een viertal criteria uitgediept die de spanningen en conflicten juist niet uit de weg gaan. Deze criteria maken het ongemak in samenwerken zichtbaar, zonder daarbij de illusie te wekken dat er een oplossing voor is.
De snel veranderende samenleving vereist dat onderwijsorganisaties lerenden de ruimte bieden om hun ontwikkeling af te stemmen op actuele vraagstukken waarbij ze samen leren met het werkveld. Het vormgeven van meervoudige samenwerkingen binnen regionale kennisecosystemen is ingewikkeld vanwege het open interorganisationele karakter van deze innovatieve leerwerkomgevingen. Dit maakt ze complexe systemen waarin individuen, groepen en organisaties op verschillende niveaus met elkaar interacteren. Het model Lerend en Onderzoekend Samenwerken (LOS) heeft zes belangrijke elementen voor succesvolle samenwerking in innovatieve leerwerkomgevingen geïdentificeerd om grip te krijgen op de complexe (eco)systemen met dynamische processen. Ze bieden een basis om de samenwerking te verstevigen. Een Delphi-methode is toegepast om indicatoren van deze zes elementen te formuleren, waarbij 34 respondenten met diverse achtergronden consensus bereikten over 53 indicatoren. Deze methode leidde tot een gedeelde betekenisgeving van de kwaliteit van samenwerken en integreerde inzichten uit onderwijs, onderzoek en de beroepspraktijk. De ontwikkeling van een gemeenschappelijke taal werd vergemakkelijkt doordat gemeenschappelijk praktijkvoorbeelden werden benut. De indicatoren zijn uiteindelijk vertaald naar het openbaar toegankelijke Ontwikkelinstrument Lerend en Onderzoekend Samenwerken, dat helpt bij het evalueren van samenwerking en het voeren van gezamenlijke dialogen.
De aandacht voor diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs is de afgelopen jaren toegenomen. Diversiteit in de studentenpopulatie, ongelijke kansen op studentsucces en maatschappelijke en wereldwijde ontwikkelingen liggen hieraan ten grondslag. Ondanks deze aandacht voelen niet alle docenten zich voldoende capabel om les te geven aan een diverse studentenpopulatie en blijft groepsvorming langs etnische lijnen zichtbaar onder studenten. In dit artikel worden, op basis van individuele interviews met 75 studenten en focusgroepbijeenkomsten met 9 docententeams uit een hogeschool in de Randstad, kansen en uitdagingen rondom diversiteit en inclusie vanuit het perspectief van docenten en studenten belicht. Deze kwalitatieve insteek bleek zeer waardevol omdat op deze wijze processen van betekenisgeving zichtbaar werden gemaakt. Interacties tussen studenten onderling en tussen studenten en docenten blijken cruciaal voor het thuisgevoel binnen de onderwijsinstelling en voor het succes van studenten. Het hoger onderwijs blijft een plek waar verschillen samenkomen, maar het waarderen en benutten van deze verschillen vraagt om interventie Nodig zijn structurele inspanningen zoals representatie, een open en veilige opleidingscultuur en het creëren van verbindingen. Dit omvat formele en informele ontmoetingen tussen studenten, studenten en docenten en onder onderwijsprofessionals. Om het onderwijs een emancipatiemotor voor alle studenten te laten zijn, is het essentieel dat docenten zich capabel en gesteund voelen. Structurele aandacht voor diversiteit en inclusie, gesteund door management dat dit perspectief actief uitdraagt, is hierbij onmisbaar
Stagediscriminatie is een hardnekkig verschijnsel dat ook in het hoger onderwijs een rol speelt. In een onderzoek bij vier opleidingen van een Randstedelijke hogeschool zijn de ervaringen van docenten en studenten rondom stagediscriminatie onderzocht. De resultaten tonen aan dat stagediscriminatie een structureel karakter heeft. Vooral studenten met een migratieachtergrond krijgen te maken met stagediscriminatie, zowel tijdens het sollicitatieproces als gedurende de stage zelf. Dit kan expliciet zijn, zoals het afwijzen van moslimstudenten vanwege een hoofddoek, of impliciet, via alledaags racisme zoals stereotyperende opmerkingen en micro-agressie. Internationale studenten ondervinden uitsluiting vanwege institutionele belemmeringen die afbreuk doen aan hun gelijke kansen. Stagediscriminatie manifesteert zich vaak subtiel, waardoor studenten moeite hebben om het expliciet te benoemen. Dit heeft negatieve gevolgen voor hun zelfvertrouwen en mentale gezondheid. Docenten geven aan zich handelingsverlegen te voelen als studenten hen benaderen over stagediscriminatie, wat ertoe leidt dat veel studenten zich onvoldoende gesteund voelen door hun opleiding. Dit gebrek aan bewustwording en ondersteuning maakt het moeilijk voor studenten om discriminatie te herkennen en er actie tegen te ondernemen. Het onderzoek onderstreept de urgentie van het bespreekbaar maken van stagediscriminatie door opleidingen, het vergroten van de bewustwording en het trainen en voorlichten van zowel docenten als studenten.
Groepswerk biedt in de lerarenopleiding heel wat kansen voor diepgaand leren en sociale ontwikkeling, maar brengt ook uitdagingen met zich mee, zoals verminderde betrokkenheid of dominantie in de groep. Docenten geven bovendien aan dat ze vaak weinig zicht hebben op de sociale processen die samenwerking sturen, waardoor gerichte begeleiding moeilijk blijft. Om deze processen beter te begrijpen en te ondersteunen, werd een vragenlijst ontwikkeld die het sociaal functioneren tijdens groepswerk meet. De items werden opgesteld op basis van de vier probleemgebieden van Le et al. (2018), en verfijnd via feedbackrondes met studenten. De uiteindelijke vragenlijst omvat 19 items, verdeeld over vier dimensies: effectieve communicatie en samenwerking, dominantie en machtsverhoudingen, gebrek aan participatie en afleiding. De vragenlijst werd afgenomen bij 182 studenten van de lerarenopleiding kleuter- en lager onderwijs, en een tweede maal bij 51 studenten voor een test-hertestanalyse. Een confirmatorische factoranalyse toonde een goede model fit (CFI = 0.94; TLI = 0.94; RMSEA = 0.07), en een hoge interne consistentie (CR > 0.87). De test-hertestbetrouwbaarheid (ICC = 0.81-0.92) bevestigde de stabiliteit van het instrument. De resultaten wijzen erop dat de vragenlijst een betrouwbaar en valide instrument is om het sociaal functioneren van groepen tijdens groepswerk te meten.
Er is veel onderzoek gedaan naar het bevorderen van studievoortgang van studenten in het hoger onderwijs, maar docenten en onderwijsinstellingen maken nog niet altijd gebruik van de kennis en inzichten daaruit. Via drie deelstudies (review van 25 publicaties, survey onder 214 docenten, en interviews met 51 docenten) is nagegaan welke factoren hoger-onderwijs-docenten stimuleren of belemmeren om kennis over het bevorderen van studievoortgang te vinden en benutten. De resultaten laten zien dat op zoek gaan naar kennis over studievoortgang geen hoge prioriteit heeft bij docenten, al zijn er wel praktijkvragen en contexten die hen aanzetten tot het zoeken en delen van kennis, zoals urgente problemen van studenten, of actieve deelname aan een kennisnetwerk of ontwikkelteam. Collega’s vormen de meest laagdrempelige en succesvolle kennisbron voor docenten in het hoger onderwijs. Daarnaast maken zij gebruik van een breed scala aan andere kennisbronnen, van handboeken en workshops tot portals en sociale media. Docenten vinden het belangrijk dat kennisproducten overzichtelijk en beknopt zijn, maar óók evidence-informed en onderbouwd. Kennis die nauw aansluit bij de onderwijspraktijk leidt het vaakst tot toepassing. Kennisnetwerken waarin docenten en onderzoekers gezamenlijk tijd en faciliteiten krijgen voor het vertalen van onderzoekskennis naar hun onderwijspraktijk zijn waardevolle contexten voor kennisbenutting.
Uitgangspunt is dat psychosociale arbeidsbelasting (psa) goed begrepen kan worden met narratief onderzoek als alternatief voor de gangbare kwantitatieve onderzoeksbenaderingen. Door meer ervaren en beginnende docenten in het HBO het verhaal van hun psa te laten vertellen, ontstond een gedifferentieerd beeld van de complexiteit daarvan. In een tweeluik van twee artikelen is ingegaan op de narratieve benadering van psa. In het eerste artikel (zie Bennink, Elzinga & Willems, 2025a) werd de keuze voor narratief onderzoek toegelicht in vergelijking met andere benaderingen. Kwaliteitscriteria voor dit type onderzoek werden toegelicht. Met behulp van het zevenlagen model voor verhaalanalyse konden de elementen van verhalen geordend worden. Getoond werden de opbrengsten van formele verhaalanalyse van twee narratieve onderzoeken naar psa. Dit tweede artikel bevat een vervolganalyse van de onderzoeksresultaten met behulp van het model van logische niveaus om diverse elementen van psa systematisch te ordenen. Met behulp van een causaal diagram werden verbanden tussen elementen weergegeven. Dit wordt gevolgd door suggesties voor maatregelen die de ‘one size fits all’ valkuil proberen te ontlopen. Door te werken met individuele en collectieve psa-profielen kan op persoonlijk en organisatieniveau de complexiteit van psa begrepen en hanteerbaar worden gemaakt. Een belangrijke onderliggende variabele bleek de mate waarin respondenten beschikken over micropolitieke vaardigheden.
Psychosociale arbeidsbelasting (psa) kan goed begrepen worden met behulp van een narratieve benadering. Door meer ervaren en beginnende docenten in het HBO als alternatief voor enquêtes het verhaal van hun psychosociale arbeidsbelasting te laten vertellen, ontstaat een gedifferentieerd beeld van de complexiteit daarvan. De elementen van verhalen zijn geordend met het zevenlagen model voor narratieve analyse. Met het model van logische niveaus zijn de verschillende aspecten van psa systematisch geordend en weergegeven in een causaal diagram. Daarmee kan op persoonlijk en op institutioneel niveau de complexiteit van psa begrepen en hanteerbaar worden gemaakt. In een tweeluik wordt ingegaan op de narratieve benadering van psa. In dit eerste artikel wordt de keuze voor narratief onderzoek uitgelegd in vergelijking met andere empirische benaderingen en worden kwaliteitscriteria voor dit type onderzoek aangegeven. Getoond worden de opbrengsten van formele analyse van twee narratieve onderzoeken. Het tweede artikel (zie Bennink, Elzinga & Willems, 2025b) bevat een inhoudelijke vervolganalyse hiervan met behulp van logische niveaus, gevolgd door suggesties voor gepersonaliseerde maatregelen om de ‘one size fits nobody’ valkuil te ontlopen.
Taalbewust hoger onderwijs besteedt gericht aandacht aan de ontwikkeling van de taalcompetenties van studenten. Daarbij is taalbewustzijn bij studenten van belang. Onderdeel daarvan is het vermogen en de bereidheid om werk te maken van de eigen taalvaardigheid. Over de mate waarin studenten in het hoger beroepsonderwijs in Nederland dit doen is uit onderzoek niets bekend. In dit artikel doen wij daarom verslag van een verkennend onderzoek. Met behulp van vragenlijsten zijn wij nagegaan of studenten naar eigen zeggen werk maken van de verbetering van hun taalvaardigheid. Het vragenlijstonderzoek laat zien dat studenten dat doen en ook positief oordelen over verbeterpogingen inzake hun taalvaardigheid, over het belang van taalvaardigheden voor opleiding en beroep, over normatieve verwachtingen ten aanzien van taalvaardigheid en over hun inzicht in sterke en zwakke punten van hun taalvaardigheden en hoe die te verbeteren. De individuele variatie in hun verbeterpogingen kan grotendeels voorspeld worden uit hun inzicht in de wijze van verbeteren van taalvaardigheden.
In dit opiniërende artikel pleiten wij, op basis van theorie, voor het gebruik van passende kwaliteitscriteria bij het begeleiden en beoordelen van kwalitatief afstudeeronderzoek in het hoger onderwijs. Nog te vaak worden studenten beoordeeld aan de hand van maatstaven die zijn ontwikkeld voor kwantitatief onderzoek, zoals betrouwbaarheid, validiteit en generaliseerbaarheid. Deze criteria zijn gebaseerd op een positivistisch paradigma dat uitgaat van meetbare, objectieve en generaliseerbare uitkomsten. Ze sluiten echter onvoldoende aan bij de aard en doelen van kwalitatief onderzoek, dat juist draait om betekenisgeving, context en subjectieve ervaringen. Wanneer kwantitatieve criteria onkritisch worden toegepast, worden studenten onbedoeld aangemoedigd om methodologische vragen te stellen die weinig relevant zijn binnen kwalitatief onderzoek. Dit kan volgens ons ten koste gaan van de kwaliteit en waarde van kwalitatief afstudeeronderzoek. Wij stellen daarom voor om het concept geloofswaarde als uitgangspunt te nemen, met de vier kernaspecten geloofwaardigheid, toepasbaarheid, zekerheid en navolgbaarheid. Dit kader stimuleert studenten om methodologische vragen te stellen die wel passen bij kwalitatief onderzoek, zodat de kwaliteit van hun afstudeeronderzoek beter gewaarborgd wordt. In dit artikel beschrijven wij deze begrippen en de specifieke reflectieve vragen en strategieën die bijdragen aan een betere garantie van geloofswaarde.
Binnen het hoger onderwijs wint interne kennisdeling aan belang als manier om de kwaliteit van onderzoek, onderwijs en maatschappelijke impact te vergroten. Nu er steeds vaker in teams wordt samengewerkt, spelen onderzoekers daarin een sleutelrol. Tegelijkertijd is nog weinig bekend over welke factoren kennisdeling binnen deze teams stimuleren of juist belemmeren. Deze studie verkent dit vraagstuk vanuit het perspectief van onderzoekers, op basis van kwalitatief onderzoek. Veertien onderzoekers uit zes kleine teams binnen hetzelfde instituut zijn geïnterviewd waarbij ook de werkomgeving tevoren in kaart werd gebracht. De bevindingen zijn geanalyseerd aan de hand van het STAR-model, dat bestaat uit de elementen strategie, structuur, proces, beloningen en mensen. Dit model biedt houvast om verschillende factoren op een systematische manier in kaart te brengen. Voor elk element zijn bevorderende en belemmerende factoren geïdentificeerd. Het element ‘mensen’ blijkt een centrale rol te spelen in de bereidheid om kennis te delen, waarbij vertrouwen en veiligheid als essentiële voorwaarden naar voren komen. Daarnaast blijkt dat stimulerende factoren binnen het ene element vaak samenhangen met factoren in andere elementen. Zo gaat een veilige en vertrouwde omgeving vaak gepaard met een horizontale structuur, waarin ruimte is voor gelijkwaardige samenwerking. Deze inzichten bieden concrete handvatten om op teamniveau strategieën te ontwikkelen die kennisdeling binnen onderzoeksgroepen versterken.
Het efficiëntie denken binnen universiteiten legt een sterke nadruk op meetbare prestaties, zoals publicaties en studenttevredenheid. Hierdoor wordt de professionele ontwikkeling van docenten naar ons oordeel belemmerd. In dit opiniërend artikel verkennen we hoe de huidige evaluatiemethoden bijdragen aan teacher agency, i.e., het vermogen van docenten om weloverwogen en doelgericht hun onderwijs te verbeteren. Veel universiteiten gebruiken de Student Evaluation of Teaching (SET) als maatstaf voor docentprestaties, maar deze methode is problematisch. Onderzoek toont aan dat SETs onbetrouwbaar zijn, gevoelig voor gender- en raciale bias, en kunnen leiden tot cijferinflatie. Bovendien moedigen SETs docenten aan om tegemoet te komen aan de wensen van studenten in plaats van uitdagende leermogelijkheden aan te bieden. Als alternatief pleiten wij voor formatieve evaluatie, waarin constructieve feedback en professionele ontwikkeling centraal staan. Dit sluit beter aan bij initiatieven zoals Erkennen & Waarderen, die een meer holistische benadering van academische waardering bevorderen. Door evaluatiesystemen te herzien en teacher agency te versterken, kunnen docenten hun onderwijs continu verbeteren, afgestemd op zowel de leerbehoeften van studenten als de bredere academische en maatschappelijke doelen.
Door de steeds complexere maatschappelijke uitdagingen is er behoefte aan professionals die wendbaar en kritisch zijn, en die zich bewust zijn van hun invloed op de samenleving. Binnen het hoger onderwijs groeit daarom de belangstelling voor de ontwikkeling van het moreel kompas van studenten. Onderzoek laat zien dat docenten behoefte hebben aan scholing op dit gebied. De lectoraten Vernieuwend Onderwijs en Weerbare Democratie van Saxion hebben daarom de handen ineengeslagen om professionalisering voor hogeschooldocenten te ontwikkelen. Tijdens de voorbereidingen hiervoor werd duidelijk dat er binnen de hogeschool een gebrek is aan een gezamenlijke, gedefinieerde visie die een coherente en wetenschappelijk onderbouwde professionaliseringsaanpak mogelijk maakt. Om deze leemte te vullen, is een visiestuk opgesteld over het versterken van het moreel kompas in het hoger onderwijs. Dit document is bedoeld voor Saxion, maar kan ook van waarde zijn voor andere instellingen. Daarom delen we hier de belangrijkste inzichten. In dit artikel definiëren we allereerst wat we verstaan onder moreel kompas en identificeren we de kerncomponenten ervan. We doen suggesties voor leerlijnen in het curriculum en verkennen didactische ontwerpprincipes voor dit type onderwijs. Tot slot presenteren we bouwstenen voor de professionalisering van docenten, met als doel het moreel kompas van studenten te bevorderen.
Hoewel Living Labs (LLs)een grote vlucht nemen in het Hoger Onderwijs, is er weinig bekend over wat studenten er leren. Een verkenning van onderzoek naar leeropbrengsten bij verwante onderwijsarrangementen als Communities of Practice en Hybride Leeromgevingen levert weliswaar inzichten over leeropbrengsten op, maar geen inzicht of deze leeropbrengsten wel het beoogde resultaat zijn. Het onderzoek betreft veelal retrospectief onderzoek waarin ten onrechte leeropbrengsten worden toegeschreven aan het oorspronkelijk ontwerp van de onderwijsarrangementen. Dat heeft niet verhinderd dat er een onderwijskundig discours op basis van dit onderzoek wordt opgebouwd, dat daarmee een zwakke basis bezit. Om dit in de toekomst te voorkomen - zeker in het belang dat wordt gehecht aan de innoverende doelstellingen van Living Labs - zou onderwijskundig onderzoek gebaat zijn met een etnografisch-participatieve aanpak, waarin ontwerp, inrichting en opbrengst nadrukkelijk met elkaar in verband worden onderzocht. Bovendien zouden onderwijskundige onderzoekers daarmee een grotere verantwoordelijkheid moeten nemen voor de impact van hun onderzoek.
Sinds 2019 zijn alle bachelorstudenten van de Universiteit Antwerpen verplicht om minstens één interdisciplinair vak te volgen. In dit artikel gaan we dieper in op de organisatie, inhoud, methodiek en evaluatie van deze vakken, die we toelichten en kritisch evalueren. Hoewel er heel wat voor valt te zeggen om alle studenten minstens één interdisciplinair keuzevak aan te bieden, botst deze formule, zowel qua onderwijsmethodieken als qua onderwijsevaluatie, op een aantal praktische grenzen. De praktijk komt dus niet altijd overeen met het ideaal van interdisciplinair onderwijs, waarbij alle studenten, bij voorkeur in kleinere groepen en binnen een veilige leeromgeving, niet enkel aan hun (interdisciplinaire) kennis, maar ook aan hun vaardigheden en attitudes kunnen werken.