
Hoewel in de jeugd-ggz in toenemende mate aandacht is voor kwaliteit van leven naast psychische klachten, blijft de samenhang met existentiële factoren zoals hoop, identiteit en geloofsbeleving vaak onderbelicht. Juist in de adolescentiefase staan identiteitsvorming, zingeving en geloofsontwikkeling centraal. Dit onderzoek had daarom als doel te verkennen hoe de existentiële factoren hoop, identiteit en geloofsbeleving – geoperationaliseerd als gevoelens in relatie tot God – dynamisch samenhangen met psychische klachten, kwaliteit van leven en leeftijd. Verder werd gekeken of deze relaties verschillen tussen jongens en meisjes. Hiervoor werd een netwerkanalyse uitgevoerd op basis van zelfrapportage-vragenlijsten afkomstig van routine outcome monitoring-data van 469 christelijke jongeren (12–18 jaar), die met uiteenlopende psychische klachten waren aangemeld bij een christelijke ggz-instelling. De resultaten wijzen erop dat vooral hoop en identiteit sterk gerelateerd zijn aan kwaliteit van leven, met name bij jongeren met depressieve en angstklachten. Daarnaast lijkt hoop een mediërende rol te spelen tussen geloofsbeleving en kwaliteit van leven. Deze bevindingen onderstrepen het belang van aandacht voor existentiële dimensies binnen onderzoek en hulpverlening, om jongeren beter te begrijpen en gerichter te kunnen helpen in hun herstelproces. Abstract Although mental health services for young people increasingly focus on quality of life as well as on psychological complaints, the connection with existential factors such as hope, identity, and religious experience often remains underexplored. However, identity formation, meaning, and development of faith are all aspects of adolescent development. This study therefore aimed to examine how the existential factors of hope, identity, and religious faith – operationalized as feelings in relation to God – are dynamically related to psychological complaints, quality of life and age. It was also examined whether these relationships differ between boys and girls. A network analysis was conducted based on self-report questionnaires derived from routine outcome monitoring data from 469 Christian adolescents (aged 12–18) with a variety of psychological complaints, who had been referred to a Christian mental health institution. The results indicated that hope and identity were particularly strongly related to quality of life, especially among young people with symptoms of depression and anxiety. Additionally, hope appeared to play a mediating role between religious experience and perceived quality of life. The current findings emphasize the importance of considering existential factors in research and counselling to better understand young people and to provide more targeted support for their recovery. Bijsluiter voor de praktijk • Uit eerdere onderzoeken weten we dat psychische klachten niet alleen de kwaliteit van leven van jongeren beïnvloeden, maar ook kunnen raken aan de meest fundamentele laag van het bestaan – de existentie. Ze kunnen vragen oproepen als ‘Wat is de zin van mijn leven?’, ‘Wie ben ik?’ en ‘Wat kan ik nog bereiken?’. Bij religieuze jongeren kan geloof hierin een belangrijke rol spelen. • We wisten echter nog niet hoe deze factoren samenhingen. Daarom is in dit onderzoek verkend hoe een aantal van deze existentiële factoren (‘hoop’, ‘identiteit’ en ‘geloofsbeleving’) samenhangt met psychische klachten en kwaliteit van leven bij jongeren die behandeld werden in de ggz. • Uit de resultaten bleek dat hoop en identiteit het sterkst samenhingen met kwaliteit van leven, met name bij jongeren met depressieve en angstklachten. Geloofsbeleving leek meer een indirecte rol te spelen. • Dit onderzoek benadrukt het belang van een brede blik in de jeugdhulpverlening, waarin, naast psychische klachten, ook kwaliteit van leven en existentiële factoren worden meegenomen. Door hier bij diagnostiek én behandeling aandacht voor te hebben, kunnen hulpverleners jongeren beter begrijpen en ondersteunen in hun herstelproces.
Ondanks dat jongeren hun klachten kunnen overdrijven, zijn er voor deze doelgroep geen opzichzelfstaande instrumenten beschikbaar om deze vorm van symptoomvaliditeit te meten. Wij onderzochten bij 88 Nederlandstalige jongeren, in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar, uit de algemene populatie of de Self-Report Symptom Inventory (SRSI) voldoende onderscheidend vermogen heeft om respondenten die hun klachten eerlijk invullen te onderscheiden van respondenten die geïnstrueerd zijn depressie of pijn te veinzen. Daarnaast beoordeelden we de interne consistentie en test-hertestbetrouwbaarheid van de SRSI. Bijkomend onderzochten we de impact van het slordig invullen op de SRSI. Aan het onderzoek namen 88 jongeren deel met een gemiddelde leeftijd van 13,93 jaar (SD = 1,47), waarvan de helft vrouw was. De SRSI werd tweemaal ingevuld: de eerste keer eerlijk (N = 88) en de tweede keer volgens een van de vier rollen: eerlijk invullen (n = 24), depressie veinzen (n = 23), pijn veinzen (n = 22) of slordig invullen (n = 19). Resultaten tonen aan dat de SRSI effectief onderscheid maakt tussen eerlijke invullers en geïnstrueerde veinzers. De specificiteit van de SRSI bij het standaard afkappunt bedroeg ,90 en de sensitiviteit ,91. Voor de plausibele en pseudosymptoomschaal zijn de interne consistentie (Cronbach’s alpha = ,91 en ,81, respectievelijk) en de test-hertestbetrouwbaarheid voldoende (n = 24; r = ,93 en ,88, respectievelijk). Bij slordige invullers scoort ongeveer de helft van de deelnemers boven het afkappunt van de SRSI. Exploratief onderzoek suggereert dat het positief beantwoorden van meer dan één consistentie-item na het falen op de SRSI, eerder wijst op slordig invullen dan op klachtoverdrijving. Concluderend zijn deze eerste bevindingen bemoedigend voor de toepasbaarheid van de SRSI bij jongeren. Verder onderzoek is echter nodig alvorens de SRSI ingezet kan worden om klachtenoverdrijving bij jongeren in de klinische praktijk op te sporen. Abstract Although adolescents may exaggerate their complaints, no standalone instrument exists to assess the validity of their self-reported symptoms. We examined 88 adolescents, aged 12 to 17 years, from the Dutch-speaking general population to assess whether the Self-Report Symptom Inventory (SRSI) demonstrates sufficient discriminative power to distinguish between honest responders and instructed feigners of depression and pain and also shows satisfactory internal consistency and test-retest reliability. Additionally, we explored the impact of careless responding on the SRSI. The sample consisted of 88 adolescents participated in the study, with a mean age of 13.93 years (SD = 1.47), half of whom were female. The SRSI was administered twice, the first time responding honestly (N = 88) and the second time according to one of four roles: responding honestly (n = 24), feigning depression (n = 23), feigning pain (n = 22), or responding carelessly (n = 19). Results indicate that the SRSI effectively discriminates between honest responding and instructed feigning. The specificity of the SRSI at the standard cutoff point was .90, and the sensitivity was .91. For the plausible and pseudosymptom scales, internal consistency (Cronbach’s alpha = .91 and .81, respectively) and test-retest reliability were sufficient (n = 24; r = .93 and .88, respectively). Among careless responders, approximately half of the participants scored above the SRSI cutoff point. Exploratory research suggests that positively endorsing more than one consistency item after failing the SRSI is indicative of careless responding rather than symptom exaggeration. In conclusion, these initial findings are promising for the applicability of the SRSI in adolescents. However, further research is needed before the SRSI can be employed to detect symptom exaggeration in adolescents in clinical practice. Bijsluiter voor de praktijk • Klachtoverdrijving kan de validiteit van de uitkomsten op zelfrapportagevragenlijsten beïnvloeden. • Wij onderzochten of de SRSI een betrouwbaar instrument is om klachtoverdrijving op te sporen bij jongeren van 12 tot en met 17 jaar uit de algemene Nederlandse populatie. • Resultaten tonen aan dat de SRSI succesvol onderscheid maakt tussen eerlijke invullers en degenen die symptomen van depressie of pijn veinzen. • Bij de groep die de SRSI slordig invulde, scoorde de helft boven het afkappunt. Exploratief onderzoek suggereert dat de consistentieschaal van de SRSI behulpzaam kan zijn bij het onderscheiden van invaliditeit veroorzaakt door klachtoverdrijving of slordig invullen. • Verder onderzoek bij jongeren met mentale en/of lichamelijke klachten is nodig voordat de SRSI gebruikt kan worden in de klinische praktijk.
Doelstelling: Jongeren met psychische problemen ervaren vaak moeite met interpersoonlijke relaties. Ouders kunnen een belangrijke rol spelen in het ondersteunen van jongeren in hun sociaal functioneren. Deze studie onderzoekt relaties tussen ouderlijke sociale steun en interpersoonlijk functioneren, inzoomend op de moderende rol van gehechtheid bij jongeren met psychische aandoeningen. Methode: In een steekproef van 548 jongeren binnen de specialistische ggz (16-23 jaar; M=19,51; SD=2,06) werden gegevens verzameld over ervaren ouderlijke steun, interpersoonlijk functioneren en hechtingsstijl middels zelfrapportagelijsten door jongeren. Resultaten: Jongeren die meer ouderlijke sociale steun ervaarden bleken minder problemen te rapporteren in het interpersoonlijk functioneren. Een veilige hechtingsstijl was gerelateerd aan minder problemen in het interpersoonlijk functioneren en onveilige hechtingsstijlen waren gerelateerd aan meer problemen in het interpersoonlijk functioneren. Er werd geen significant modererend effect gevonden van hechtingsstijl op de relatie tussen ervaren ouderlijke sociale steun en interpersoonlijk functioneren. Discussie/conclusie: Deze bevinding suggereert dat, ongeacht een eventueel (on)veilige hechtingsrelatie, het van belang is om aandacht te (blijven) hebben voor de rol van ouders in het steunen van hun kinderen met psychische aandoeningen. Abstract Aim: Adolescents with psychopathology often experience difficulties in interpersonal relationships, and parents can play an important role in supporting adolescents in their social functioning. This study examines relationships between parental social support, interpersonal functioning, and explore the role of attachment in adolescents with psychopathology. Method: In a sample of 548 adolescents within the specialized mental health system (aged 16-23; M=19.51; SD=2.06), data were collected on perceived parental support, interpersonal functioning, and attachment style using self-report questionnaires. Results: Adolescents who experienced more parental social support reported fewer problems in interpersonal functioning. A secure attachment style was associated with fewer problems in interpersonal functioning, while insecure attachment styles were associated with more problems in interpersonal functioning. However, no significant moderating effect of attachment style was found on the relationship between perceived parental social support and interpersonal functioning. Discussion/conclusion: This finding suggests that, regardless of a possible (in)secure attachment relationship, it is important to (continue to) pay attention to the role of parents in supporting their children with psychopathology. Bijsluiter voor de praktijk: • Ouderlijke sociale steun hangt samen met beter interpersoonlijk functioneren van jongeren. • Binnen een klinische steekproef van jongeren met psychische aandoeningen werd gevonden dat de relatie tussen ervaren ouderlijke sociale steun en interpersoonlijk functioneren niet afhangt van de ervaren hechtingsstijl van de jongeren. • Dit onderzoek suggereert dat, ongeacht een eventueel (on)veilige hechtingsrelatie, het van belang is om aandacht te (blijven) hebben voor de rol van ouders in het steunen van hun kinderen met psychische aandoeningen.
Gedragsverandering bij jongeren met een licht verstandelijke beperking (LVB) kan zowel op groepsniveau als individueel niveau worden bestudeerd. In de praktijk worden interventies afgestemd op persoonlijke behoeften, zoals het programma Take it Personal!, waarvan we in groepsonderzoek een gemiddeld effect op middelengebruik vonden. Individuele verandering werd onderzocht met dagboekmetingen via een app. Netwerkanalyses boden inzicht op individueel niveau, maar hielden geen rekening met de situaties waarin gedrag plaatsvond. In een mixed-methods casestudie werd contextinformatie toegevoegd aan de dagboekmetingen om een vollediger beeld van de verandering te krijgen. De hoofdconclusie luidt: begin bij het individuele proces en vergelijk daarna pas personen. Abstract Behavior change in youth with mild intellectual disabilities can be studied at the group- or individual level. In care settings, interventions are tailored to personal needs, like Take it Personal!, which showed average effects on substance use in group studies. We then monitored individual change trajectories via daily dairy app. Network analysis revealed individual differences, but personal insights remained abstract due to lacking contextual information. A mixed-methods case study added contextual information to diary entries for a detailed understanding. The main conclusion is to start with analyzing the individual-level processes and context before making comparisons between individuals.
Autismekenmerken en functionele somatische symptomen (FSS, d.w.z. lichamelijke klachten zonder duidelijke medische oorzaak) komen vaak samen voor. Tot op heden is dit verband vooral onderzocht in crosssectionele studies, waardoor onduidelijk bleef hoe autismekenmerken en FSS zich gezamenlijk over de tijd ontwikkelen in de adolescentie. Deze longitudinale studie is de eerste die de onderlinge relaties tussen autismekenmerken en FSS onderzoekt over vier meetmomenten tussen de leeftijd van elf en negentien jaar. De steekproef bestond uit 2772 adolescenten (52,5 % jongens) uit het bevolkingscohort Tracking Adolescents’ Individual Lives Survey (TRAILS) en het klinische cohort TRAILS-cc. Autismekenmerken werden gemeten met behulp van de Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag bij Kinderen. FSS werden, afhankelijk van de leeftijd, gemeten met de Youth Self Report en Adult Self Report. De resultaten toonden een stabiele, positieve associatie tussen autismekenmerken en FSS gedurende de adolescentie. Naast deze stabiele associatie hadden autismekenmerken op het ene meetmoment geen extra voorspellende waarde voor FSS op het volgende meetmoment en omgekeerd. Secundaire analyses gericht op specifieke domeinen van autismekenmerken toonden vergelijkbare resultaten, evenals analyses van adolescenten met een klinische diagnose van autismespectrumstoornis (n=264). Concluderend is de relatie tussen autismekenmerken en FSS stabiel. Medici en ggz-professionals dienen daarom alert te zijn op de aanwezigheid van gelijktijdige symptomen, zowel bij diagnostiek als bij het vormgeven van passende zorg. De bevindingen benadrukken de noodzaak van geïntegreerde psychische en somatische zorg voor deze doelgroep. Abstract Autism traits and functional somatic symptoms (FSS, i.e., physical complaints without a known medical cause) often co-occur. So far, this relationship has been examined primarily in cross-sectional studies, leaving unclear how autism traits and FSS develop together over time throughout adolescence. This longitudinal study is the first to examine the interrelations between autism traits and FSS across four measurement waves between 11 and 19 years of age. The sample comprised 2772 adolescents (52.5 % boys) from the population cohort Tracking Adolescents’ Individual Lives Survey (TRAILS) and the clinical cohort TRAILS-cc. Autism traits were measured using the Children’s Social Behavior Questionnaire. FSS were measured, depending on age, using the Youth Self Report and Adult Self Report. The results showed a stable positive association between autism traits and FSS throughout adolescence. Besides this stable association, autism traits at one measurement wave had no additional predictive value for FSS at the next wave and vice versa. Secondary analyses focusing on specific domains of autism traits showed similar results, as did analyses of adolescents with a clinical diagnosis of autism spectrum disorder (n=264). In conclusion, the relation between autism traits and FSS is stable. Therefore, physicians and mental health professionals should be alert to the presence of concurrent symptoms, both in clinical assessment and in shaping appropriate care. The findings highlight the need for integrated psychological and somatic care for this population. Bijsluiter voor de praktijk Autistismekenmerken en functionele somatische symptomen (FSS, d.w.z. lichamelijke klachten zonder duidelijke medische oorzaak) komen vaak samen voor. Wij onderzochten relaties tussen autismekenmerken en FSS gedurende de adolescentie (elf tot negentien jaar), waarbij we data van een groot algemeen bevolkingscohort en klinisch cohort hebben gecombineerd. In dit onderzoek werd gebruik gemaakt van ouder-gerapporteerde autismekenmerken en zelf-gerapporteerde FSS op vier opeenvolgende meetmomenten. Uit de resultaten blijkt dat er sprake is van een stabiele relatie tussen autismekenmerken en FSS gedurende de adolescentie. Adolescenten bij wie veel autismekenmerken werden gerapporteerd, ervoeren ook veel FSS. Deze relatie bleef hetzelfde in de loop van de tijd. Autismekenmerken op het ene meetmoment hadden geen extra voorspellende waarde voor FSS op het volgende meetmoment en vice versa. De bevindingen van dit onderzoek kunnen bijdragen aan het bewustzijn onder zorgprofessionals over het gelijktijdig optreden van autismekenmerken en FSS. De resultaten onderstrepen het belang van geïntegreerde psychische en somatische zorg voor jongeren. Een dergelijke benadering is essentieel voor het tijdig signaleren, diagnosticeren en effectief behandelen van gelijktijdig voorkomende klachten.
Probleemstelling: Een samenhangende analyse van verklarende factoren ontbreekt vaak in jeugdzorgdossiers, terwijl het maken van een verklarend beeld – ook wel de ‘Verklarende Analyse’ (VA) – juist cruciaal is voor passende zorg. Een model voor de Verklarende Analyse (VA-model) kan professionals helpen systematisch informatie te verzamelen en ordenen om tot een verklarend beeld te komen. Steeds meer jeugdzorgprofessionals in Nederland worden geschoold in een van de VA-modellen. Door deze ontwikkeling is in de jeugdzorgpraktijk behoefte aan handvatten om de kwaliteit van de uitvoering van de VA te borgen. Methode: Wij voerden een Delphi-studie uit om de kwaliteitscriteria voor de VA vast te stellen. Middels digitale vragenlijsten werd een expertpanel (N = 24) in drie ronden bevraagd. Via een systematisch, iteratief analyseproces werden de verkregen reacties gecategoriseerd, samengevat, geherformuleerd en opnieuw voorgelegd, en zodoende verwerkt tot concrete kwaliteitscriteria waarmee de VA in de praktijk kan worden geëvalueerd. Bevindingen: We vonden 59 criteria, die zijn gegroepeerd in zes hoofdthema’s (verhelderen, onderkennen, verklaren, het verklarend beeld, samenwerken met jeugdige/ouders/betrokkenen en biases) en twee aanvullende thema’s (instrumentgebruik en vervolgstappen (indiceren)), die gezamenlijk een kwaliteitskader vormen. Conclusie: De kwaliteitscriteria voor de uitvoering van een VA gaan in op wát professionals moeten doen om tot een VA te komen, maar ook op hóe zij dit kunnen doen, in samenwerking met de jeugdige, ouders en andere betrokkenen. Zodoende bieden de criteria handvatten om de VA in de jeugdzorgpraktijk te kunnen evalueren en verbeteren. Abstract Objective: A coherent analysis of explanatory factors is often lacking in youth care files, while the formulation of an explanatory, integrated case description – called the Explanatory Analysis (EA) – is crucial for personalized treatment. A model for the EA can help professionals to systematically collect and organize information. An increasing number of youth care professionals in the Netherlands are trained in using such an EA model. Because of this development in the Dutch youth care field, there is a growing need for resources to ensure the quality of the integrated case formulations that professionals make, using an EA model. Method: We conducted a Delphi study to map out the quality criteria for the use of EA models. In three rounds, an expert panel (N = 24) was surveyed using digital questionnaires. Through a systematic, iterative analysis process, the responses were categorized, summarized, reformulated and re-presented, and thus processed into concrete quality criteria, that can be used to evaluate EA in practice. Results: We found 59 criteria, which are grouped into six main themes (clarification, identification, explanation, the explanatory case formulation, collaboration with youth/parents/stakeholders, and biases) and two additional themes (use of instruments and intervention options or next steps). Together, these constitute a quality framework. Conclusion: The criteria for high-quality explanatory models address what professionals need to do to arrive at an EA, as well as how they can do this, in close collaboration with the child, parents, and other stakeholders. The quality criteria thus provide a framework for evaluating and improving EA in youth care practice.
Beginnende borderlineproblematiek wordt bij adolescenten ondergediagnosticeerd en onderbehandeld, wat de kans op het ontwikkelen van een ‘full-blown’ persoonlijkheidsstoornis vergroot. Dit heeft ingrijpende gevolgen, zoals een verhoogd risico op suïcide, meer gezondheidsproblemen en intensievere, duurdere zorg. Vroegtijdige behandeling van borderlineproblematiek is daarom essentieel. Behandeling bij adolescenten met borderlineproblematiek kan individueel, groepsgewijs of in combinatie plaatsvinden. Er is echter een gebrek aan direct vergelijkende onderzoeken naar de effectiviteit van verschillende behandelvormen. Dit leidde tot de volgende onderzoeksvraag: Zijn er indicatoren in de literatuur beschikbaar die onderscheid maken in behandeleffectiviteit voor adolescenten met borderlineproblematiek tussen individuele vs groepsbehandeling? Om deze vraag te beantwoorden is een scoping review uitgevoerd, waarin 21 wetenschappelijke artikelen van gemiddelde tot hoge kwaliteit zijn geanalyseerd. De resultaten tonen aan dat zowel individuele als groepsbehandeling positieve effecten laat zien. Groepsbehandeling lijkt passender wanneer er (vooral) sprake is van internaliserende problematiek, en draagt bovendien indirect bij aan een verhoogde behandelopkomst. Individuele behandeling lijkt meer geschikt wanneer er (vooral) externaliserende problematiek aanwezig is of wanneer er negatieve groepservaringen zijn opgedaan in het verleden. In beide behandelvormen kan het betrekken van het sociaal netwerk de kans op succesvolle afronding van de behandeling vergroten. Gezien de beperkte hoeveelheid literatuur over de effectiviteit van behandelmethodes voor beginnende borderlineproblematiek bij adolescenten, en het ontbreken van studies waarin beide behandelvormen direct met elkaar vergeleken worden, dienen de bevindingen met voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Abstract Early traits of a borderline personality disorder are underdiagnosed and undertreated in adolescents, which increases the likelihood of developing a “full-blown” personality disorder. This has far-reaching consequences, such as an increased risk of suicide, more health problems and more intensive, expensive care. Early treatment of borderline problems is therefore essential. Treatment for adolescents with borderline problems can be individual, group or combined. However, there is a lack of direct comparative studies on the effectiveness of different forms of treatment. This led to the following research question: Are there indicators available in the literature that distinguish treatment effectiveness for adolescents with borderline problems between individual vs group treatment? To answer this question, a scoping review was conducted, analyzing 21 medium- to high-quality scientific articles. The results indicate that both individual and group treatment show positive effects. Group treatment seems more appropriate when (mainly) internalizing problems are present, and also contributes indirectly to increased treatment attendance. Individual treatment seems more appropriate when (mainly) externalizing problems are present or when negative group experiences have occurred in the past. In both forms of treatment, involving the social network can increase the likelihood of successful treatment completion. Given the limited amount of literature on the effectiveness of treatment methods for incipient borderline problems in adolescents, and the lack of studies directly comparing both forms of treatment, the findings should be interpreted with caution.
De mentale gezondheid van jongeren staat onder grote druk, blijkt uit diverse rapporten. Ondanks inspanningen op onder andere scholen om dit te verbeteren, blijft de impact beperkt. Met Healthy Start willen we dit probleem transdisciplinair aanpakken, door middel van samenwerking met alle betrokkenen. Door jongeren, hun directe omgeving en beleidsmakers te betrekken willen we oplossingen zoeken die alle perspectieven meenemen. Het doel is om een wetenschappelijk onderbouwd aanbod te ontwikkelen dat jongeren helpt zich gezien, gehoord en ondersteund te voelen in hun mentale welzijn. Drie speerpunten van Healthy Start worden specifiek toegelicht. Abstract The mental health of young people is under pressure, as evidenced by (inter)national research and reports. Despite efforts in schools to improve young people’s mental wellbeing, the impact remains limited. With Healthy Start, we aim to address this issue using a transdisciplinary approach, through collaboration with all stakeholders. By involving young people, their immediate environment, and policymakers, we aim to find solutions that take all perspectives into account. The goal is to develop a scientifically supported approach that helps young people feel seen, heard, and supported in their mental well-being.
Dit onderzoek beoogde inzicht te geven in (1) indicatoren van mentaal welzijn, studiegerelateerde factoren en leefstijl onder studenten van een Nederlandse universiteit, (2) of bepaalde subgroepen extra kwetsbaar/weerbaar zijn, en (3) of indicatoren over tijd veranderen. Data zijn gebruikt van 7.676 participanten uit het longitudinale Healthy Student Life vragenlijstonderzoek (drie waves; 2021–2022–2023) van de Radboud Universiteit. Betreffende mentaal welzijn bleek 68 %–71 % gelukkig te zijn, voelde 10 %–16 % veel bevlogenheid, scoorde 38 %–42 % hoog op burn-outklachten, ervoer 64 %–66 % matig tot veel stress, en scoorde 60 %–63 % hoog op depressieve klachten. Betreffende studiegerelateerde factoren, ervoer 91 % sociale veiligheid aan de universiteit, 42 %–48 % veel sociale steun, 86 %–87 % veel prestatiedruk, en 59 %–65 % (zeer) hoge kwantitatieve/kwalitatieve studiebelasting. Betreffende leefstijl, scoorde 9 %–23 % hoog op risicovol alcoholgebruik, gebruikte 3 %–4 % (meer dan) wekelijks cannabis, was 47 %–53 % hoog fysiek actief, en had 27 %–29 % een hoog risico op problematisch internetgebruik. Studenten aten gemiddeld 5 dagen per week fruit/groente. Op mentaal welzijn blijken vrouwelijke en internationale studenten kwetsbaarder, op studiegerelateerde factoren vrouwelijke en masterstudenten, en op leefstijl mannelijke, internationale en bachelorstudenten. Veel indicatoren fluctueerden nauwelijks over tijd. Bevlogenheid en sociale veiligheid namen af, en burn-outklachten, risicovol alcoholgebruik en fysieke activiteit namen toe. Bovenstaande biedt aanknopingspunten voor interventie-ontwikkeling op maat. Abstract This study aimed to provide insight into (1) indicators of mental well-being, study-related factors and health behaviour among students at a Dutch university, (2) whether certain subgroups are particularly vulnerable/resilient, and (3) whether indicators change over time. Data were used from 7,676 participants from the longitudinal Healthy Student Life survey study (three waves; 2021-2022-2023) from Radboud University. Regarding mental well-being, 67%-71% reported to be happy, 10%-16% felt a lot of engagement, 38%-42% scored high on burnout symptoms, 64%-66% experienced moderate to high stress, and 60%-63% scored high on depressive symptoms. Regarding study-related factors, 91% experienced social safety at the university, 42%-48% high social support, 86%-87% high performance pressure, and 59%-65% (very) high quantitative/qualitative study load. In terms of health behaviour, 9%-23% scored high on hazardous alcohol use, 3%-4% used cannabis (more than) weekly, 47%-53% were highly physically active, and 27%-29% were at high risk for problematic internet use. Students ate fruit/vegetables an average of 5 days per week. On mental well-being, female and international students appeared more vulnerable, on study-related factors female and master's students, and on health behaviour male, international and undergraduate students. Many indicators barely fluctuated over time. Engagement and social safety decreased, and burnout symptoms, hazardous alcohol use and physical activity increased. The above provides starting points for tailored intervention development.
Het proefschrift van Anne Bülow, waarover deze samenvatting gaat, heeft universele opvoedprincipes in het dagelijkse leven aangetoond, die een belangrijke basis voor opvoedadvies kunnen vormen: Jongeren voelden zich gelukkiger op momenten en dagen dat hun ouders meer warmte tonen en autonomie bevorderen. Hoe sterk deze opvoedprincipes in elk gezin aanwezig waren, varieerde sterk van gezin tot gezin. Dit benadrukt het belang van gepersonaliseerd opvoedadvies. De sterkte van de opvoedprincipes hing ook af van de tijdschaal waarop ze werden geobserveerd (bijvoorbeeld moment, dag, of week). Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of opvoedadvies dat op de korte termijn werkt misschien averechtse effecten op de lange termijn heeft of andersom. Abstract The current research demonstrated universal parenting principles in everyday life that can provide an important basis for parenting advice: Adolescents felt happier at moments and days when their parents showed more warmth and supported their autonomy more. How strongly these parenting principles were present in each family varied greatly from family to family. This highlights the importance of personalized parenting advice. The strength of the parenting principles also depended on the timescale on which they were observed (e.g., moment, day, week). Future research should reveal whether parenting advice that works in the short term might backfire in the long term or vice versa.
Gedwongen afzonderen kan negatieve fysieke en psychologische gevolgen hebben voor zowel jongeren als professionals. JeugdzorgPlus-instellingen streven daarom naar het verminderen van gedwongen afzonderen. In een participatief actieonderzoek werkten jongeren, professionals, ervaringsdeskundigen en onderzoekers gezamenlijk aan het verminderen van gedwongen afzonderen in de JeugdzorgPlus. Nadat gezamenlijk een eenduidige definitie van gedwongen afzonderen was opgesteld, werd gedurende twee perioden van zes maanden de inzet van gedwongen afzonderen gemonitord en feedback gegeven. Hieruit bleek een significante daling van 61% in het aantal gedwongen afzonderingen over tijd. Om gedwongen afzonderen verder te verminderen, is het nodig om in te zetten op zeven kernstrategieën.
Er is een fundamentele discussie gaande over de wenselijkheid van de (gesloten) residentiële jeugdhulp. Inmiddels zijn er alternatieve residentiële voorzieningen ontwikkeld om tegemoet te komen aan de behoefte aan stabiliteit en het thuis voelen van jeugdigen. Tot deze groep alternatieve voorzieningen behoren kleinschalige voorzieningen en gezinshuizen. Het is op dit moment nog onduidelijk of deze alternatieve voorzieningen beter tegemoetkomen aan de behoeften van jeugdigen dan de traditionele voorzieningen doen. Het leefklimaat is een van de belangrijke kernelementen voor de psychosociale ontwikkeling van jeugdigen. In dit crosssectionele onderzoek hebben we kwantitatieve en kwalitatieve data verzameld van 33 jeugdigen, 14 ouders en 35 professionals. Een Mann-Whitney-toets laat zien dat jeugdigen, ouders en professional verbonden aan kleinschalige voorzieningen de sensitiviteit van professionals en de groepssfeer significant beter beoordeelden dan deelnemers verbonden aan traditionele voorzieningen. Een kwalitatieve analyse laat zien dat jeugdigen in alternatieve voorzieningen zich meer thuis voelen en meer gezamenlijke activiteiten ondernemen. In alternatieve voorzieningen lijkt er meer aandacht te zijn voor de maatschappelijke inbedding van jeugdigen, bijvoorbeeld door hen te ondersteunen bij het uitoefenen van hobby’s en te investeren in duurzame relaties. Deze elementen worden door jeugdigen aangeduid als ondersteunende factoren. We kunnen concluderen dat investeringen in alternatieve voorzieningen een bijdrage lijken te leveren aan positievere uitkomsten voor jeugdigen. Abstract There is a fundamental debate about the desirability of (secure) residential youth care (RYC). Meanwhile, alternative RYC facilities are developing to meet the needs of youth for continuity and a sense of home. Home-like groups and family-style group homes belong to the group of alternative RYC. It is currently unclear whether these alternative settings better meet the needs of youth than traditional RYC settings. The living environment is an important factor in the psychosocial development of youth. In this cross-sectional study, we collected quantitative and qualitative data from 33 young people, 14 parents, and 35 professionals. A Mann-Whitney test shows that professionals’ sensitivity and the group atmosphere were rated higher in home-like groups compared to traditional RYC. Qualitative analyses show that youth in alternative RYC were more likely to feel at home and more likely to do activities together. Alternative RYC facilities appear to pay more attention to embedding youth in society, for example, by providing support for youth to pursue hobbies and investing in long-term relationships. These elements are also perceived as most helpful to youth. Investment in alternative RYC appears to contribute to more positive outcomes for youth in RYC.
Van de jeugdigen onder de 18 jaar maakt 25 % tot 65 % minimaal één ingrijpende levensgebeurtenis mee. Een ingrijpende gebeurtenis is gedefinieerd als een gebeurtenis waarbij de jeugdige blootgesteld is aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwondingen en/of seksueel geweld. Er zijn verschillende risicofactoren die de impact van een ingrijpende gebeurtenis kunnen versterken. Deze zijn onder andere gelegen in de aard van de gebeurtenis en reacties van het slachtoffer tijdens de ingrijpende gebeurtenis. Ingrijpende levensgebeurtenissen kunnen leiden tot posttraumatische stressstoornis (PTSS), vooral bij slachtoffers van een ingrijpende gebeurtenis die plaatsvond in relatie met een ander, ook wel interpersoonlijk trauma genoemd. Een belangrijke factor die de impact van deze gebeurtenissen versterkt, is de aanwezigheid van tonische immobiliteit, een reflexmatige reactie van het lichaam tijdens een ingrijpende gebeurtenis. Slachtoffers die tijdens een ingrijpende levensgebeurtenis tonische immobiliteit ervaren, kampen vaak lange tijd na de gebeurtenis nog met schuldgevoelens. Het ervaren van traumagerelateerde schuldgevoelens door slachtoffers die tonische immobiliteit hebben ervaren, kan een belangrijk mechanisme zijn waardoor PTSS-symptomen ontwikkelen. Het voorliggende crosssectioneel onderzoek richt zich op de rol van traumagerelateerde schuldgevoelens bij jeugdigen die minimaal één ingrijpende gebeurtenis hebben meegemaakt en die tonische immobiliteit hebben ervaren, en hoe deze schuldgevoelens mogelijk bijdragen aan de ontwikkeling van PTSS-symptomen. In totaal vulden 228 jeugdigen in een kinder- en jeugdpsychiatrische populatie (gemiddelde leeftijd 14,9 jaar, 76,3 % meisjes) verschillende vragenlijsten in met betrekking tot het meemaken van een mogelijke traumatische gebeurtenis, traumatische stressreacties, ervaren van tonische immobiliteit en traumagerelateerde schuldgevoelens. Resultaten toonden aan dat deze schuldgevoelens deels verklaren waarom tonische immobiliteit samenhangt met PTSS-symptomen. De onderzoeksbevindingen kennen enkele klinische implicaties, waaronder het systematisch bevragen van tonische immobiliteit en het bieden van educatie over deze veelvoorkomende lichamelijke reacties. NB: De huidige versie van dit artikel is op 1 oktober 2025 gepubliceerd. Het betreft een post-publication correction van het originele artikel. Deze correctie betreft aanpassingen in paragraaf 3.2, die geen invloed hebben op de hoofdconclusies van het artikel. De wijzigingen worden nader toegelicht in de eindnoten. Abstract Among individuals under 18 years old, 25 to 65 percent experience at least one traumatic life event. A traumatic event is defined as one in which the juvenile is exposed to actual or imminent death, serious injury and/or sexual violence. There are several risk factors that can amplify the impact of a traumatic event. These include the nature of the event and reactions of the victim during the profound event. Traumatic life events can lead to post-traumatic stress disorder (PTSD), especially in victims of a major event that took place in relation to another person, also known as interpersonal trauma. An important factor that amplifies the impact of these events is the presence of tonic immobility, a reflex reaction of the body during a traumatic event. Victims who experience tonic immobility during a traumatic life event often struggle with feelings of guilt long after the event. Experiencing trauma-related guilt by victims who experienced tonic immobility may be an important mechanism through which PTSDsymptoms develop. The present cross-sectional study focuses on the role of trauma-related guilt in youth who experienced of interpersonal trauma and tonic immobility, and how this guilt may contribute to the development of PTSD symptoms. 228 adolescents in a child-adolescent psychiatric population (mean age 14.9 years, 76.3 % girls) completed several questionnaires regarding experiencing a possible traumatic event, PTSD symptoms, experiencing tonic immobility and trauma-related guilt. Results showed that these feelings of guilt partly explain why tonic immobility is associated with PTSD symptoms. The results have some clinical implications, including systematically questioning tonic immobility and providing education about these common bodily reactions. Note: The current version of this article was published on October 1, 2025. It constitutes a post-publication correction of the original article. This correction involves revisions in Section 3.2, which do not affect the conclusions of the article. The changes are further explained in the endnotes.
Kinderen van (ex-)gedetineerde moeders hebben een sterk verhoogd risico op het ontwikkelen van gedragsproblemen en latere criminaliteit. Betere Start is een opvoedtraining voor (ex-)gedetineerde moeders om deze gedragsproblemen en latere criminaliteit bij hun twee- tot tienjarige kinderen te voorkomen. De effectiviteit van Betere Start ten aanzien van opvoedingsgedrag door moeders en gedragsproblemen bij hun kinderen en latere criminaliteit van kinderen en moeders is in eerder gerandomiseerd effectonderzoek aangetoond. In de huidige studie onderzochten we de brede implementatie van deze interventie over een periode van vijf jaar. De onderzoeksgroep bestond uit 122 moeders met 186 kinderen (Mleeftijd = 6.45 jaar, 51.61 % meisjes) uit tien interventiegroepen, waarvoor in routinematige monitoring gegevens werden verzameld over de ontvangen interventie, gedragsproblemen bij kinderen, opvoedvaardigheden, cognitieve vertekeningen en tevredenheid met de interventie. De resultaten laten zien dat het ook in de dagelijkse praktijk mogelijk is om deze moeilijke doelgroep te bereiken, om de interventie naar tevredenheid uit te voeren en daarbij de beoogde veranderingen in gedragsproblemen, opvoedvaardigheden en cognitieve vertekeningen te bereiken. Deze studie geeft daarmee aanwijzingen voor de haalbaarheid en het belang van goede uitvoering van Betere Start in de dagelijkse praktijk, met gunstige effecten op de ontwikkeling van kwetsbare kinderen. Daarmee wordt de waarde van blijvende monitoring van interventies geïllustreerd. AbstractChildren of (formerly) incarcerated mothers are one of the most at-risk populations for the development of behavior problems and delinquent behavior patterns. Better Start is a parenting intervention for incarcerated and formerly incarcerated mothers that aims to prevent behavior problems and delinquent behavior in their 2-to-10-year old children. Better Start has already been proven effective regarding maternal parenting behaviors children’s behavior problems, and children’s and mother’s later delinquent behaviors, in a previous RCT and long-term follow-up. In the current study, we examined the broad implementation of this intervention during a period of five years. The sample consisted of 122 mothers with 186 children (Mage = 6.45 years, 51.61 % girls) from 10 intervention groups. Routine outcome measure data on the received intervention, behavior problems, parenting behaviors, cognitive distortions and satisfaction with the intervention were collected. The results show that it is possible to reach this hard-to-reach population and deliver the intervention satisfactorily in daily practice, resulting in the expected changes in behavior problems, parenting behaviors and cognitive distortions. This study therefore indicates that the intervention Better Start is feasible in daily practice. The importance of thorough implementation and monitoring of intervention quality for beneficial results in vulnerable families is discussed. Bijsluiter Voor de Praktijk Betere Start is al eerder effectief gebleken in het voorkomen van opvoedingsproblemen, gedragsproblemen en latere criminaliteit, in een gerandomiseerd effectonderzoek. In de huidige studie onderzochten we de uitvoering en resultaten van de interventie bij implementatie in de dagelijkse praktijk. Het blijkt ook in de praktijk mogelijk om een moeilijk te bereiken doelgroep toch te bereiken en behouden, en een geprotocolleerde interventie getrouw met hen uit te voeren. Ook bij langdurige uitvoering in de praktijk worden verbeteringen in opvoeding, ontwikkeling van kinderen en gedachtegang van moeders bereikt. Dit spreekt voor de bredere inzet van effectieve interventies als selectieve preventie voor kwetsbare gezinnen.
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat klimaatverandering mentale impact heeft op veel jongeren. Gezien de relatieve nieuwheid van klimaatverandering als opvoed- en opgroeithema is het belangrijk te verkennen wat jeugdprofessionals zien aan klimaatstress en andere reacties van jongeren op hun groeiende besef daarvan. Dat blijkt sterk uiteen te lopen, maar zorgen en stress over klimaatverandering komen op veel plekken nog weinig ter sprake. Verklaringen daarvoor worden gezocht in persoonlijke en situationele complicerende elementen. Deze dragen volgens jeugdprofessionals bij aan het verschil tussen ervaringen van jongeren en dat wat jeugdprofessionals daarvan zien en bespreken. Bewustwording en ondersteuning van jeugdprofessionals kan bijdragen aan betere ondersteuning van de impact van klimaatverandering op jongeren. Abstract Various studies indicate that climate change has a mental impact on many young people. Given the relative novelty of climate change as a theme in child-rearing and development, it is important to explore what youth professionals observe regarding climate stress and other reactions among young people to their growing awareness of climate change. These observations appear to vary greatly. However, concerns and stress about climate change are still rarely discussed in many contexts. Explanations for this are sought in personal and situational complicating factors. According to youth professionals, these factors contribute to the discrepancy between what young people experience and what youth professionals observe and discuss. Raising awareness and providing support for youth professionals may help in better addressing the impact of climate change on young people.
Onlangs is onverwacht oud-redactielid en -voorzitter van het tijdschrift Kind en Adolescent (voorloper van JiO), mw. dr. Joop Hellendoorn, overleden. In dit in memoriam blikken we terug op de betekenis die Joop had binnen de redactie van K&A, alsmede op haar universitaire loopbaan aan de Universiteit Leiden. Haar naam zal verbonden blijven aan een vorm van kinderpsychotherapie, genaamd ‘Beeldcommunicatie’, die onder haar bezielende leiding nationaal en internationaal grote bekendheid verwierf bij kindertherapeuten.
Dit proefschrift biedt inzicht in hoe individuele en contextuele factoren samenhangen met (mal)adaptief functioneren van kindertijd tot en met jongvolwassenheid. Gedrags- en emotionele problemen, persoonlijkheidsontwikkeling en ouder-adolescent conflict hingen samen met maladaptief én adaptief functioneren later in het leven. De bevindingen tonen aan dat we al vroeg in het leven tekenen kunnen zien van een positieve, stralende toekomst van kinderen. Het wordt aanbevolen om in onderzoek en praktijk niet alleen te richten op het voorkomen en herstellen van klachten bij kinderen, opvoeders en gezinnen, maar óók op het duurzaam versterken van krachten.
De schoolgerelateerde motivatie van studenten vormt de kern van wat studenten drijft om (on)betrokken te zijn en te (onder)presteren op school. Dit proefschrift had tot doel meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van motivatie van cognitief sterke leerlingen tijdens de kwetsbare overgang naar het secundair onderwijs. Door vier studies vonden we dat cognitief sterke leerlingen niet immuun zijn voor uitdagingen gerelateerd aan motivatie tijdens de transitie naar het secundair onderwijs, dat hun ontwikkeling in sommige opzichten verschillend is van hun leeftijdsgenoten, en dat er heterogeniteit is in de ontwikkeling van motivatie binnen de cognitief sterke groep. Abstract Students’ school-related motivation lies at the heart of what drives students to (dis)engage and (under)achieve in school. The aim of this PhD project was to gain insight into the motivational development of cognitively high-ability students. Across four studies we found that high-ability students are not immune to transition-related motivational challenges, that their motivational development is in some ways distinct compared to their peers, and that there is developmental heterogeneity within the high-ability group.
Inzage in het eigen dossier draagt onder volwassenen bij aan geïntegreerde persoonsgerichte zorg, en daardoor aan de kwaliteit van zorg. Of dit ook geldt voor jongeren, kinderen en hun ouders is niet bekend. Dit proefschrift onderzocht de bijdrage van Iuvenelis, een cliënt-toegankelijk jeugddossier voor gezondheidszorg en jeugdhulp, aan geïntegreerde persoonsgerichte zorg. Vijf deelstudies laten zien dat open dossiers zoals Iuvenelis potentieel de door gebruikers ervaren autonomie vergroten door hen beter te informeren en te betrekken bij hun zorg, de zorgkwaliteit verbeteren en bij kunnen dragen aan interprofessionele samenwerking. Belangrijke aandachtspunten bij de invoering van inzage in het eigen dossier zijn het bereiken van kwetsbare groepen en een persoonsgerichte houding van professionals.
Een aanzienlijk deel van de Nederlandse jeugdigen (kinderen en jongeren tussen 2 en 18 jaar) met ADHD krijgt niet de behandelingen die ze volgens richtlijnen zouden moeten krijgen. Dit zou kunnen betekenen dat informatie over welke interventies wel en niet effectief zijn, niet goed bij professionals terechtkomt. In dit artikel geven wij daarom beknopte informatie over effectieve interventies voor jeugdigen met ADHD. We geven daarnaast een overzicht van verschillende producten die we hebben ontwikkeld in het kader van een project dat als doel had om kennis over effectieve interventies te verspreiden. Deze producten zijn bijvoorbeeld webinars, factsheets, video’s en PowerPoint-presentaties.