
Iedereen wordt wel eens midden in de nacht wakker waarop hij zich verwonderd afvraagt waar hij is. Soms gaat deze desoriëntatie verder en weten mensen zelfs even niet meer wie ze zijn. Meestal verdwijnt deze verwarrende ervaring weer snel. Dat is niet het geval bij veel mensen die een zeer pijnlijke of traumatische ervaring hebben doorgemaakt. Ten gevolge van deze belevenis kunnen zij een ingrijpende verandering in hun geheugen of identiteitsbeleving ondergaan. Wanneer dit zich in ernstige mate voordoet, hebben we te maken met een dissociatieve stoornis. De belangrijkste dissociatieve stoornissen zijn: dissociatieve amnesie, fugue en identiteitsstoornis
Vooral door hallucinaties en wanen is bij een psychose de relatie met de werkelijkheid sterk verstoord. Bij hallucinaties meent de cliënt iets waar te nemen wat er in werkelijkheid niet is. Wanen zijn niet te corrigeren, onjuiste overtuigingen die behoren tot de inhoudelijke denkstoornissen. De belangrijkste psychosen zijn schizofrenie en andere psychotische stoornissen zoals: de waanstoornis, kortdurende psychotische stoornis, schizofreniforme stoornis en gedeelde psychotische stoornis. Schizofrenie wordt gekenmerkt door een breed scala van cognitieve, emotionele en gedragsafwijkingen. De symptomen worden verdeeld in ‘positieve’, zoals hallucinaties en wanen, en ‘negatieve’, zoals verminderde emotionele expressie, initiatiefverlies en spraakarmoede. Bij schizofrenie is vaak sprake van genetische kwetsbaarheid. Verder berust de stoornis op structurele en biochemische hersenafwijkingen, mogelijk een gevolg van geboortecomplicaties of virusinfecties. De belangrijkste biologische behandeloptie is antipsychotica, in combinatie met een brede psychosociale aanpak in de vorm van cognitieve gedragstherapie, psycho-educatie en herstelgerichte zorg.
Voor velen toont dit experiment uit de jaren zeventig van de vorige eeuw de fundamentele ondeugdelijkheid van de psychiatrie aan. De criteria van een psychiatrische stoornis blijken aanzienlijk minder objectief dan in de somatische geneeskunde. Psychiaters kunnen niet aan de hand van laboratoriumresultaten of radiografieën bepalen of iemand een psychiatrische stoornis heeft. Zij moeten afgaan op wat mensen doen of zeggen en daarbij kunnen zij klaarblijkelijk gemakkelijk op een dwaalspoor worden gebracht. Wie bovendien eenmaal het etiket 'psychiatrisch patiënt' heeft gekregen, komt er niet eenvoudig vanaf.
Impulsbeheersingsstoornissen zijn vrij zeldzaam, maar kunnen tot aanzienlijke sociale problemen leiden. Kleptomanen kunnen moeilijk weerstand bieden aan de drang tot stelen, zonder overigens belang te hechten aan het gestolen goed. Pyromanie is de onweerstaanbare drang tot brandstichten en bij de periodiek explosieve stoornis gaat het om onverwachte agressieve uitbarstingen. Veel impulsbeheersingsstoornissen worden behandeld met cognitieve gedragstherapie, die gericht is op het vergroten van de zelfcontrole. Een gunstig effect is ook beschreven van antidepressiva die de activiteit van serotonine verbeteren; een tekort aan deze neurotransmitter wordt in verband gebracht met impulsiviteit. In het algemeen hebben patiënten met impulsbeheersingsstoornissen ook na behandeling een aanzienlijke kans op terugval.