
Omdat nog onvoldoende inzicht bestaat in welke factoren therapieresultaat beinvloeden, werd in deze studie onderzocht of behandelduur en klachten na afloop van behandeling geassocieerd zijn met het niveau van welkbevinden bij aanvang van de therapie. Daarnaast is geexploreerd of deze verbanden verschillen voor geslacht en diagnosegroepen. ROM-gegevens van 563 patienten met angst- of stemmingsstoornissen die waren aangemeld voor ambulante psychische behandeling werden gebruikt. Er werdenregressieanalyses uitgevoerd, waarbij werd gecontroleerd voor de klachten bij aanvang. Welbevinden blijkt de klachten aan het einde enigszins te kunnen voorspellen, maar niet de behandelduur. Exploratieve analyses lieten zien dat dit verband sterker is bij mannen dan bij vrouwen. Verbanden tussen welbevinden, klachten na de behandeling en behandelduur verschillen niet tussen diagnosegroepen.
Interpersoonlijke problemen zijn de kern van persoonlijkheidsproblematiek. Een patroon van duurzame problemen in het interpersoonlijk functioneren is dan ook een hoofdkenmerk van persoonlijkheidsstoornissen in de dsm-5. Interpersoonlijke problemen kunnen worden geinventariseerd met de iip-c, een instrument dat wereldwijd veel gebruikt wordt, maar in Nederland onvoldoende voet aan de grond heeft gekregen. Met dit onderzoek beogen we de psychometrische kwaliteit van een Nederlandse vertaling van de iip-c in kaart te brengen. We hebben onderzocht of de scores van 522 patienten op de iip-c theoretisch voldoen aan een zogenaamde circumplexstructuur. Onze resultaten bevestigen dat er een circumplexstructuur bestaat bij de Nederlandse versie van de iip-c. De acht octanten blijken voor het merendeel voldoende tot goed betrouwbaar. Dit geeft aan dat de iip-c geschikt is om interpersoonlijke problemen op individueel niveau te inventariseren en te differentieren. Onze bevindingen wijzen erop dat de iip-c een waardevolle toevoeging is aan het klinisch-diagnostisch instrumentarium.
Onderzoeken laten zien dat hechtingsstijlen veranderbaar zijn als gevolg van psychologische behandeling. Doel was om na te gaan of hechting ook binnen een psychologische behandeling van verslaving kan veranderen. Daartoe is bij 49 clienten in de ambulante verslavingszorg gekeken of de therapeutische relatie invloed had op de hechting van een client. Op groepsniveau werd gevonden dat de hechtingsstijl niet veranderde, maar op individueel niveau werd verband gevonden tussen de therapeutische relatie en de vermijdende component van hechting na de behandeling. Ook werd, in overeenstemming met ander onderzoek, verband gevonden tussen veranderingen in de angstige component maar niet de vermijdende component van hechting met veranderingen in sociaal steunende interacties en klachten. Binnen de groep mensen met een verslaving werden geen significante veranderingen van hechting (vermijding en angst) gevonden, terwijl dit in andere populaties wel werd gevonden. Wel werd, zoals verwacht, een relatie gevonden tussen een hechtingscomponent en uitkomstmaten.
Ondanks alle ontwikkelingen op het gebied van vroege interventie programma’s bij patienten met een psychotische stoornis, blijven drop-outcijfers hoog. Om het succes van behandeling te optimaliseren is het van belang om goed zicht te krijgen op de factoren die de behandelmotivatie bij deze populatie beinvloeden. In dit crosssectionele onderzoek bij 199 patienten met een psychotische stoornis werd onderzocht in welke mate state-factoren dan wel trait-factoren samenhangen met behandelmotivatie bij deze complexe doelgroep. Er werd gebruikgemaakt van twee theoretische kaders, de Zelf Determinatie Theorie (zdt) van Deci en Ryan (2000) en het psychobiologisch model van Cloninger (1998). De resultaten van huidig onderzoek geven ondersteuning aan een dynamische visie op behandelmotivatie, waarbij de kwaliteit van de behandelmotivatie van patienten met een psychotische stoornis voornamelijk beinvloed wordt door state-factoren, zoals ervaren autonomie en verbondenheid
Om een optimale afname in depressieve symptomen te bewerkstelligen is een goede therapeutische relatie van belang. Er wordt verwacht dat het vroeg meten van de kwaliteit van deze relatie tijdens behandeling de behandeluitkomst krachtiger kan voorspellen. Ook wordt verwacht dat waargenomen therapeutkenmerken gerelateerd zijn aan hoe de patient de therapeutische relatie waardeert. Matig tot ernstig depressieve patienten werden volgens een toevalsprocedure toegewezen aan cognitieve gedragstherapie (cgt) of kortdurende psychoanalytische steungevende psychotherapie (kpsp). Meetmomenten waren er bij baseline, week 1, 2, 4 en 8 om de waargenomen betrouwbaarheid, expertise en attractiviteit van de therapeut, de kwaliteit van de therapeutische relatie en depressieve klachten te monitoren. De therapeutische relatie hangt vanaf de eerste week matig sterk samen met depressieve klachten later in behandeling (r’s -0,28 tot -0,42, p’s < 0,01). De voorspellende waarde is het grootst na twee weken (vier sessies). Ook is de kwaliteit van de vroege therapeutische relatie sterk voorspellend voor de therapeutische relatie later. Symptoomverandering in de eerste twee sessies van de behandeling is niet voorspellend voor de kwaliteit van de therapeutische relatie na twee sessies. Ten slotte wordt een matige tot sterke relatie gezien tussen waargenomen therapeutkenmerken bij aanvang en de therapeutische relatie. Het in een vroeg stadium monitoren en optimaliseren van de therapeutische relatie tijdens behandeling lijkt van belang voor sterkere symptoomreductie. Een afkapscore van de therapeutische relatie, het beste na twee weken, zou mogelijk antwoord kunnen geven op de vraag of de kwaliteit voldoende dan wel onvoldoende is. Aanbevolen wordt om waargenomen therapeutkenmerken mee te nemen in toekomstige analyses om meer te begrijpen van de invloed van de therapeutische relatie op symptoomverandering. Dit zou eventueel nog eerder in de behandeling intervenieren mogelijk maken.
Geestelijke gezondheid is meer dan de afwezigheid van psychopathologie. Geestelijke gezondheid omvat ook ons emotioneel, psychologisch en sociaal welbevinden. Welbevinden en psychopathologie vormen twee afzonderlijke maar gerelateerde continua van geestelijke gezondheid. Welbevinden is daarom een belangrijke uitkomst van psychotherapie. Positief psychologische interventies (ppis) richten zich op positief gedrag, positieve emoties en positieve gedachten. Voorbeelden van ppis zijn interventies die zich richten op genieten, dankbaarheid, optimisme, positieve relaties en zingeving. Deze interventies worden ook steeds vaker ingezet in de behandeling van psychische stoornissen. Recente onderzoeken laten zien dat deze interventies bijdragen aan afname van psychische klachten en toename van welbevinden in klinische populaties.
Psychotherapeuten in de jeugd-GGZ worden regelmatig geconfronteerd met ouders die zich geterroriseerd voelen door hun kind. Het externaliserend of internaliserend probleemgedrag dat kinderen laten zien, brengt hen tot wanhoop. Als de situatie regelmatig escaleert en kinderen zelf niet gemotiveerd zijn voor hulp, is er bij zowel ouders als hulpverleners een sterke neiging terug te grijpen op klassieke autoriteit door middel van straf, dwang en drang. In dit artikel staat een nieuwe visie op autoriteit centraal: verbindend gezag. De auteurs koppelen de zoektocht naar gezag aan de relatie tussen gezag en identiteitsvorming en aan de maatschappelijke context van de afgelopen decennia, waarin autoriteit en hechting op gespannen voet met elkaar staan. Verbindend gezag is gebaseerd op de principes van geweldloos verzet en verenigt twee uitersten die schijnbaar niet te verenigen zijn: zowel hiërarchische afstand als relationele nabijheid, zowel een liefdevol anker als heldere grenzen en zowel verzet tegen wat onacceptabel is als geloven in de mogelijkheden van de ander. Dit wordt praktisch vertaald in een houding en methodiek die houvast bieden aan ouders en psychotherapeuten bij de moeilijke, paradoxale opgave om verbinding en gezag te integreren, zowel bij ernstige gedragsproblemen als bij meer alledaagse opvoedingsvraagstukken.
Psychotherapie dient aangetoond werkzaam te zijn. Zorginstituut Nederland (ZN) heeft eisen opgesteld voor het wetenschappelijk bewijs dat daarvoor nodig is. Welke psychodynamische of psychoanalytische behandelingen voldoen daaraan? Dit artikel geeft een overzicht van de huidige bewijskracht voor psychodynamische psychotherapie als een effectieve behandeling bij volwassen patiënten met depressie, angststoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Het is gebaseerd op acht meta-analyses die zich specifiek richten op de effectiviteit van psychodynamische psychotherapie. Hierin zijn de resultaten van 132 primaire onderzoeken, overwegend randomized controlled trials (RCT’s), geïntegreerd. De auteurs vergelijken de resultaten met de uitkomsten van de meest recente meta-analyses over de effectiviteit van psychologische behandelingen in het algemeen, waarin specifieke behandelingen met elkaar worden vergeleken. Voor talloze psychodynamische behandelingen bestaat voldoende evidentie om aan de ZN-eisen voor wetenschappelijk bewijs te voldoen, omdat er voldoende kwalitatief adequate onderzoeken zijn aangetroffen waaruit blijkt dat de effecten niet of nauwelijks verschillen van andere behandelingen.
Goedpraters kunnen de kwaliteit van gezinsrelaties ernstig ondermijnen. Goedpraters worden niet alleen gebruikt door daders, maar ook door slachtoffers in disfunctionele gezinspatronen. Het is dan ook zaak om goedpraters zo snel mogelijk te ontmaskeren binnen de systeemgesprekken. Wij gebruiken het genogram en het Vijfkolommenmodel, een methodiek om goedpraters te begrijpen en te bewerken binnen de context van systeemkenmerken, negatieve kerncognities, traumatische ervaringen en de veerkracht van gezinsleden en systeem. Het is essentieel om empathisch te reageren op de onderliggende motieven tot goedpraten (met name schuld en schaamte), zonder de goedpaters te vergoelijken. Met behulp van psycho-educatie en training wordt het gezin geholpen om goedpraters te vervangen door liefdevolle en constructieve communicatie.