In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe een kinderpsychotherapeut het empathieconcept toepast in haar werk. Ten eerste zal dit altijd in het directe contact met het kind zijn. Dat zal aanvankelijk met emotionele of resonerende empathie gebeuren.
Bij inzichtgevende psychotherapieën speelt de therapeutische relatie een belangrijke rol. Een van de middelen om deze tot stand te brengen is empathie. In de cognitieve gedragstherapie ligt het primaat voor veranderingen op de juiste toepassing van wetenschappelijk onderbouwde technieken. De therapeutische relatie speelt een veel minder prominente rol en er wordt weinig specifieke aandacht besteedt aan het gebruik van empathie. In dit artikel wordt bepleit om in de cognitieve gedragstherapie meer oog te hebben voor de totstandkoming van een goede therapeutische relatie en het expliciete gebruik van empathie. Voor cognitieve gedragstherapeuten zijn vooral cognitieve (filosofische) empathie en emotionele steun van belang. Affectieve empathie, die vooral bij inzichtgevende psychotherapieën wordt ingezet, is ondergeschikt. Bij de reparatie van therapeutische breuken, de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen en in de derde golf van de cognitieve gedragstherapie is het gebruik van affectieve empathie juist weer relevant.
Net als bij volwassenen komen eetstoornissen bij jongeren in vergelijking met andere psychiatrische klachten relatief weinig voor. Het zijn stoornissen die voor de patiënt en zijn omgeving ernstig ontwrichtend kunnen zijn en soms zelfs klinische behandeling noodzakelijk maken. Ongeacht het gekozen theoretisch model voor behandeling is het raadzaam ouders bij de behandeling te betrekken. Ook moet rekening gehouden worden met ontwikkelingspsychologische aspecten van het kind. Cognitieve gedragstherapie, al dan niet in combinatie met een gescheiden vorm van gezinsbehandeling, is een effectieve behandelmethode. Vooral voor anorexia nervosa bestaan inmiddels ook enkele veelbelovende gezinstherapeutische methoden.
De vergoeding en daarmee de professionele behandeling van de eetstoornis NAO staan onder druk. Eind 2014 adviseerde het Zorginstituut Nederland de minister om met uitzondering van de psychotische stoornis NAO de ‘restcategorie NAO’ (in de DSM-5 voortaan ‘niet nader beschreven’ genoemd) niet langer onder het pakket van de geneeskundige GGZ te laten vallen. Inmiddels is dit advies opgeschort, maar ik maak me zorgen dat dit toch gebeurt. Ernstige eetstoornissen die niet aan de diagnoses anorexia of bulimia nervosa en de eetbuistoornis voldoen, kunnen dan niet meer worden behandeld.
Treatment plans and interventions for bulimia and binge-eating disorder’ is het tweede boek in een nieuwe serie over behandelplannen en interventies voor evidence-based psychotherapie.
In een veranderende zorgmarkt moet de geestelijke gezondheidszorg nieuwe vormen van behandeling ontwikkelen. Overheid en zorginstellingen geloven dat e-health een oplossing is voor de talrijke problemen waarmee de gezondheidszorg wordt geconfronteerd. E-health moet wel voldoen aan de kwaliteitsparameters die verzekeraars aan zorginstellingen stellen: zorg moet effectief, doelmatig, toegankelijk en kosteneffectief zijn. Bij lichte psychische problematiek is e-mental health een effectieve behandelmethode. Bij complexe problematiek is dit nog minder duidelijk, maar er zijn talrijke aanwijzingen dat het de traditionele face to face-behandeling ondersteunt. Toch wordt deze vorm van behandeling nog onvoldoende door de patiënt geaccepteerd. De auteur noemt verschillende redenen en geeft enkele aanbevelingen om e-health in de geestelijke gezondheidszorg tot een succes te maken.
Na een discussie van meer dan twintig jaar is in 2005 een begin gemaakt met marktwerking in de gezondheidszorg. Met invoering van de nieuwe zorgverzekeringswet in 2006 geldt dit ook een gedeelte van de curatieve GGZ. Sindsdien moeten zorgverzekeraars en zorgaanbieders met elkaar onderhandelen. Er is op papier een inkoopmarkt voor de zorg ontstaan, maar wet- en regelgeving beperkt de echte concurrentie. De oorspronkelijke doelstellingen voor de invoering van de marktwerking in de zorg, betere en goedkopere zorg, worden daardoor nog onvoldoende gerealiseerd.
In de westerse landen hebben steeds meer mensen overgewicht. Het aantal is dermate verontrustend dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) intussen zelfs van een epidemie spreekt. Het RIVM schat dat vandaag de dag ongeveer 45% van de Nederlandse volwassen bevolking te zwaar is. Ongeveer 14% van de bevolking lijdt zelfs aan een ernstige vorm van overgewicht. Dit wordt obesitas genoemd. Overgewicht en obesitas verhogen de kans op ziekten en kunnen de algemene kwaliteit van leven nadelig beïnvloeden. Het is dus belangrijk iets aan het overgewicht te doen. In deze bijdrage kun je lezen hoe overgewicht ontstaat, wat je eraan kunt doen en wat je vooral níet moet doen.
OBJECTIVE:To examine the effect of bright light therapy on the sleep-wake rhythm, the menstrual cycle, mood, and key eating pathology symptoms in chronic anorexia nervosa.METHODS:Five chronic anorectic women (mean duration of illness: 15.3 years) received 5 daily sessions of 30 minutes bright light therapy (10,000 LUX). Participants completed a diagnostic interview and questionnaires at pre-test, post-test and at a three month follow-up.RESULTS:At follow up there was a slight improvement on core eating pathology, a fair decrease of depressive symptoms and an clinically important improvement on global distress.CONCLUSIONS:Bright light therapy has on short term a positive effect on the physiological and psychological well being of chronic anorectic women. However, at follow-up the effects were partly lost. It is recommended to enhance the exposure period and repeat the treatment after 3 months.
This study evaluates a short stepwise cognitive-behavioral intervention for the treatment of low self-esteem in patients with eating disorders. Competitive memory training (COMET) for low self-esteem is based on insights and findings from experimental psychology. A total of 52 patients with eating disorders and low self-esteem were treated with COMET in a routine mental health center in addition to their regular treatment. These patients were randomized to receive 8 weeks of COMET + therapy as usual (TAU) or to receive TAU only. Differential effects in favor of COMET + TAU were found for 2 indexes of self-esteem and for 1 index of depressive mood. Shortcomings of this study and possible clinical implications are discussed.
In dit artikel wordt de door Fairburn ontwikkelde nieuwe vorm van cognitieve gedragstherapie voor eetstoornissen, CBT-E, besproken. De behandeling stoelt op zijn transdiagnostische model voor eetstoornissen. We gaan in op de sterke en zwakke punten van de behandeling. Aanbevolen wordt elke behandeling te beginnen met CBT-E. Bij onvoldoende snelle verbetering kan deze uitgebreid of vervangen worden door experiëntiëlere behandelvormen als schematherapie of COMET.
Cognitief-gedragstherapeutisch Nederland is een verdeeld land. Bestond er tot 1993 slechts één standaardleerboek over gedragstherapie, inmiddels is daar verandering in gekomen. Een ware scholenstrijd is sindsdien in de gedragstherapie gaande. Boven de rivieren heeft het model ‘Korrelboom’ met aparte functie- en betekenisanalyses veel adepten, terwijl in het zuiden de voorkeur uitgaat naar het traditionele model ‘Orlemans’. Korrelboom heeft in 2004 zijn boek ‘Gedragstherapie’ (Korrelboom & Kernkamp, 1993) grondig gereviseerd en als ‘Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie’ (Korrelboom & Ten Broeke, 2004) opnieuw uitgegeven.
Nieuwe technologieën veranderen de gezondheidszorg. Een onlangs gepubliceerd rapport van het Trimbos-instituut laat zien dat e-health intussen de gewoonste zaak van de wereld is.1 E-health bevindt zich op het grensvlak van medische informatie en publieke gezondheidszorg, waarbij gezondheidsdiensten en informatie via het internet of soortgelijke technologieën worden verstrekt. E-health is meer dan alleen een technische ontwikkeling. Het behelst een attitude om de gezondheidszorg te verbeteren met behulp van nieuwe informatie- en communicatietechnologie.2Internet- of onlinebehandelingen zijn specifieke vormen van e-health die begonnen zijn met telemedicine of videoconferencing. Het is een zich snel ontwikkelende en aan populariteit winnende behandelsetting. Zij vormt op dit moment het sluitstuk van de ontwikkeling om ICT-technologie in de somatische en geestelijke gezondheidszorg toe te passen. In deze bijdrage gaan we specifiek in op de inhoud en effectiviteit van een online behandeling van boulimia nervosa: ‘Boulimiadebaas’.
Een wereldcongres is bij uitstek geschikt om nieuwe ontwikkelingen in een vakgebied te ontdekken. Om de drie jaar vindt het Wereld Congres voor Gedrags- en Cognitieve therapie (WCBCt) plaats. Na Kopenhagen, Acapulco, Vancouver en Kyoto is in 2007 het Internationale Conventie Centrum van Barcelona (ICCB) aan de beurt. Ongeveer 3500 deelnemers uit 70 landen reizen naar Barcelona en maken de bijeenkomst daarmee tot het grootste psychotherapiecongres ooit.
Gewichtsproblemen en eetstoornissen zijn traditioneel gescheiden gebieden. Ik kan me nog goed de kritiek van veel Nederlandse collega’s herinneren toen het zorgprogramma Eetstoornissen van Parnassia – inmiddels organisatorisch ondergebracht bij PsyQ Haaglanden – zich in 2000 als het eerste, en jarenlang als het enige, gespecialiseerde centrum voor eetstoornissen in Nederland ook op de behandeling van obesitas richtte. De kritiek was simpel: de meeste personen met een eetstoornis hebben geen overgewicht en de meeste personen met obesitas hebben geen eetstoornis, hoewel hun eetgedrag wel verstoord is. Eetstoornissen behoorden naar de mening van de critici tot het terrein van de psychiatrie, getuige de verschillende as-I-classificaties in de DSM IV, terwijl obesitas als somatische aandoening op as III genoteerd diende te worden.
‘The anxious brain’ is een boek vol details over neuro-anatomie, neurotransmitters, symptomatologie en therapeutische interventies bij de paniekstoornis, de gegeneraliseerde angststoornis en de sociale angststoornis. De auteurs zijn pretentieus: ‘In dit boek beschrijven we de praktische implicaties van recent onderzoek voor psychotherapie bij angststoornissen. We beschrijven hersenstructuren en -functies in eenvoudige termen zodat mensen beter begrijpen waarom ze angstig zijn en hoe psychotherapie hun hersenen kan veranderen. Deze kennis is belangrijk om therapie voor angstige mensen effectiever te maken. […] Ons doel is om in dit boek neurobiologisch onderzoek en psychotherapeutische behandeling te integreren’ (pp. xi-xii). Jammer genoeg lukt dat maar gedeeltelijk