
De Nederlandse zorg zet in op zo lang mogelijk thuis wonen, maar in complexe thuissituaties blijkt dit vaak een uitdaging. Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) onderzocht, middels interviews met ervaringsdeskundigen, naasten en CCE-coördinatoren, hoe zorg thuis vorm krijgt in complexe situaties en wat daarbij belemmert en helpt. Uit de analyse blijkt dat mensen thuis vaak worstelen met versnipperde en ontoereikende zorg, en dat afstemming en samenwerking tussen betrokken partijen regelmatig tekortschieten. Mantelzorgers dragen een zware last en fungeren regelmatig als informele zorgcoördinatoren. Tegelijkertijd tonen de verhalen hoe waardevol nabijheid, continuïteit en een luisterende zorgverlener kunnen zijn. Goede zorg in complexe thuissituaties vraagt om structurele samenwerking, erkenning van ervaringskennis en beleid dat ruimte geeft aan relationele zorg. Mensen die thuis zorg ontvangen of verlenen hebben behoefte aan iemand die echt luistert, afstemt en blijft.
Background. Strengthening the agency of social assistance recipients facing vulnerability may be crucial for improving their well-being. This study evaluates the effectiveness of the Self-Management of Well-being (SMW) group intervention among benefit recipients in the Netherlands. Methods. A one-group pretest-posttest design was used to evaluate self-management ability (SMA), well-being, loneliness, and stress in 87 intervention participants using validated questionnaire scales. Outcomes were measured pre-intervention (T0), immediately after the final session (T1, N=64) and three months later (T2, N=54). Repeated measures ANOVA with repeated contrasts, and sequential regression analyses tested intervention effects. Results. Significant short-term improvements were found in SMA and well-being, alongside significant reductions in loneliness and stress. Repeated measures ANOVA indicated that these intervention effects were maintained over time. Sequential regression analyses revealed that improvements in well-being, loneliness, and stress were partially explained by improved SMA. Discussion. The SMW group intervention enhanced SMA and overall well-being while reducing loneliness and stress among benefit recipients, suggesting that it is a valuable tool for strengthening agency and well-being in this population.
Aanleiding: In de langdurige ggz wordt samenwerking tussen cliënten, naasten en professionals breed erkend als essentieel voor herstel. Toch blijkt gelijkwaardige samenwerking in de praktijk moeilijk te realiseren. Ondanks positieve intenties en hulpmiddelen zoals de Triadekaart en het Active Recovery Triad-model blijven wederzijds vertrouwen, een heldere rolverdeling en duurzame betrokkenheid achter. Methode: In het onderzoek ‘Drie kunnen meer dan één’ (ZonMw, 2020–2024) – uitgevoerd in samenwerking met vier ggz-organisaties – onderzochten we waarom samenwerking Journal of Social Intervention: Theory and Practice – 2026 – Volume 35, Issue 2 3 ZICHT OP HET ONGEZEGDE IN DE SAMENWERKING binnen de triade stokt en hoe deze kan worden versterkt. Dit deden we middels participatief ontwerponderzoek, in de vorm van: interviews met cliënten, naasten en professionals; een fysieke en een online leerwerkgroep; en ontwikkelgroepen. Resultaten: We ontdekten patronen van miscommunicatie en onuitgesproken spanningen. Cliënten, naasten en professionals blijken vaak te zwijgen uit angst, schaamte of eerdere negatieve ervaringen (‘behandelschade’), waardoor wezenlijke emoties en behoeften ongehoord blijven. Conclusie: De kern van verbetering ligt in het bespreekbaar maken van ‘het ongezegde’ – de gedachten, gevoelens en aannames die onder de oppervlakte spelen. Hiervoor ontwikkelden we een spelsessie, posters en een strip die openheid, gelijkwaardigheid en wederzijds begrip bevorderen. Echte samenwerking vraagt oefening, moed en structurele inbedding in beleid én praktijk – waarbij alle drie de stemmen in de triade gehoord worden.
Peer support and peer-supported services have expanded broadly in Western countries. In the Netherlands there is a tendency, especially in mental health care, to further professionalize peer support. As a result, there is growing interest in the outcomes of experts by experience regarding participants who receive their support. This article reports on a scoping review that aimed to identify and synthesize qualitative research into the outcomes of experts by experience working in (mental) healthcare services and organizations in the social domain. We synthesized the findings of 32 studies. The outcomes were organized into three clusters: psycho-social outcomes, life domain outcomes and treatment outcomes. Psychosocial outcomes are most frequently mentioned. In all articles included, one or more psychosocial outcomes were found, e.g. reduced feelings of loneliness and isolation, more hope for a better life and increased self-confidence. More than half of the articles report positive outcomes in life domains, especially outcomes on family relations, social contacts and community engagement. Outcomes in terms of symptoms and treatment improvements were mentioned in about one-third of the included articles, such as symptom relief and shorter admissions. To get a clearer picture of the mechanisms that lead to the outcomes, more specific information is needed about what experts by experience do in their ‘experience work’.
In het onderwijsveld is steeds meer aandacht voor hybride leeromgevingen. Wijkinzet door Jongeren en Studenten (WIJS) is een netwerkorganisatie die hybride leeromgevingen faciliteert in de stad Groningen. Hierin werken studenten van verschillende opleidingen en onderwijsinstellingen samen aan een vraagstuk uit de wijk, in samenwerking met professionals en inwoners uit de wijk. Het samenbrengen van al deze partijen maakt deze leervorm waardevol, maar tegelijkertijd ook complex. Deze literatuurstudie brengt de belangrijkste uitdagingen en opbrengsten van deze leervorm in kaart, en laat zien dat leren in een hybride leeromgeving van grote waarde kan zijn voor zowel student als samenleving. Ook wordt duidelijk dat deze leervorm vraagt om een andere manier van leren, doceren en samenwerken. Door aandacht te besteden aan het overbruggen van verschillende disciplines, metacognitieve vaardigheden, de rol van de docent en duurzame samenwerking met de gemeenschap, kan deze leervorm op een succesvolle en duurzame manier worden vormgegeven.
This paper presents the evaluation results of a digital inclusion intervention for Dutch parents in poverty. This intervention aimed to promote digital inclusion and positive outcomes in parents’ daily lives by focusing on the four phases of internet appropriation: attitude and motivation, material access, skills, and usage. The ‘Samen wegwijs op het internet’ (SWOI) intervention took place from November 6, 2024, to January 29, 2025, in the southern region of Enschede, the Netherlands. During the program, 14 parents received a laptop, weekly training courses, and free and accessible support in internet and computer use. A qualitative approach is used to evaluate the feasibility elements of the program. Lessons were learned from observations, in-between feedback moments, and short interviews. The results hint toward increased self-confidence in using the internet, pride in one’s learning, and enhanced social contact. The lessons learned for future digital inclusion interventions are shared, including a call for integral intervention approaches and for appointing an intervention coordinator. The results will interest those working on digital inclusion, poverty relief, or intervention design.
Goede zorg en ondersteuning voor mensen met een verstandelijke beperking vraagt om een voortdurende dialoog met betrokkenen over wat die ‘goede zorg’ inhoudt. In deze dialoog (in dit artikel gezamenlijke morele reflectie genoemd) worden de waarden en normen van álle betrokken partijen gewaardeerd. Echter, uit het schaarse onderzoek naar morele reflectie waarbij mensen met een verstandelijke beperking betrokken zijn geweest, blijkt dat zij zich slechts ‘gedoogd’ voelen en niet voldoende gewaardeerd. Doordat vaststaande formats van overleg niet altijd voldoende aansluiten of uitnodigend zijn, ligt ‘pseudo-participatie’ en uitsluiting op de loer. In dit artikel gaan we samen met mensen met een verstandelijke beperking, naasten en professionals op zoek naar concrete oefenvormen voor gezamenlijke morele reflectie in de praktijk. We zoomen in op ervaringen van betrokkenen en op de vraag welke kansen de oefenvormen bieden voor een meer inclusieve reflectiepraktijk. Tot slot staan we stil bij randvoorwaarden voor implementatie van die oefenvormen in de praktijk.
Het ontstaan van contactbreuken is een van de grootste problemen bij complexe (echt)scheidingen. De verhalen van jongeren zelf zijn nog niet eerder centraal gezet in onderzoeken. Daarom is er kwalitatief onderzoek uitgevoerd onder jongeren die het contact met één ouder hebben verbroken tijdens of na de complexe scheiding van hun ouders. Er zijn semi-gestructureerde interviews met jongeren afgenomen (n=9) en er is een focusgroep met professionals (n=7) gehouden. De resultaten zijn geïnterpreteerd vanuit het contextuele begrip ‘relationele ethiek’. De contextuele benadering ziet vanuit familierelaties een krachtige invloed van verbondenheid en een besef van rechtvaardigheid. Het onderzoek laat zien dat jongeren onrecht ervaren. Het onrecht komt voort uit een disbalans van geven en ontvangen in de ouder-kindrelatie met beide ouders. Consistent zijn ervaringen van huiselijk geweld en grensoverschrijding door de ouder op afstand. Contactbreuken fungeren als zelfafbakening waarbij jongeren zichzelf proberen te beschermen tegen meer ervaringen van onrecht. In de relatie met de ouder op afstand is onzichtbare loyaliteit gesignaleerd. Dit onderzoek beveelt aan om ouders en jongeren te helpen om toe te werken naar een meer rechtvaardige balans van geven en ontvangen én erkenning te geven aan jongeren voor hun ervaringen van onrecht.
Sociale rechtvaardigheid vormt een kernprincipe binnen het sociaal werk. Dit vraagt om onderwijspraktijken waarin studenten sociaal onrecht verkennen. Dit artikel bespreekt hoe literatuur, zoals Édouard Louis’ Ze hebben mijn vader vermoord, kan dienen als een didactisch middel om sociaal onrecht een menselijk gezicht te geven, narratieve verbeelding bij toekomstige sociaal werkers te bevorderen en hun inzichten in sociale kwesties te vergroten. De keuze voor een roman als didactisch middel is geïnspireerd door verschillende filosofen en literatuurwetenschappers die zich bogen over de vraag wat literatuur betekent voor de menselijke conditie. Empirisch onderzoek tijdens dialoogsessies en een groepsgesprek met tweedejaars sociaalwerkstudenten toont aan dat de roman een krachtige basis biedt voor een dialoog over sociaal onrecht en sociale analyse vanuit begrippen zoals sociaal lijden van Pierre Bourdieu en erkenning van Axel Honneth. De leeservaring bevorderde narratieve verbeelding en inzicht in sociale en politieke thema’s, waardoor studenten hun rol als sociaal werker konden verkennen. Dit proces had een subjectiverend karakter: studenten werden door de roman geconfronteerd met iets dat ertoe doet en moesten zonder vooraf gegeven antwoorden hun rol onderzoeken. Dit versterkte hun persoonlijke en professionele blik op sociale rechtvaardigheid.
Sinds februari 2022 leidde het conflict in Oekraïne tot een van de snelst groeiende vluchtelingenstromen in Europa. Als reactie hierop lanceerde de Belgische overheid onder meer de #PlekVrij-campagne, met als doel burgers te mobiliseren om Oekraïense vluchtelingen op te vangen. Dit artikel onderzoekt de ervaringen van gastgezinnen en Oekraïense vluchtelingen in langdurige opvangsituaties. Uit interviews met 11 gastgezinnen en 6 Oekraïense vluchtelingen in Vlaanderen blijkt dat woningkenmerken, de kwaliteit van de relatie tussen gastgezin en de mensen die zij opvangen en de financiële draagkracht bepalende factoren zijn voor de ervaring van particuliere opvang. Ook is het belangrijk om duidelijke afspraken te maken over de verblijfsduur en oog te hebben voor veiligheid. Als particuliere opvang structureel verankerd zou worden in het opvang- en integratiebeleid, is er nood aan een duurzaam ondersteunend en faciliterend kader, zo tonen de onderzoeksresultaten. Een andere belangrijke randvoorwaarde is een sterk opvangbeleid en flankerend woonbeleid.