
Het compartimentsyndroom van het bovenbeen (CSB) is een zeldzame diagnose. Door het grote volume van het compartiment, de elasticiteit van de fascie en de ontsnappingsmogelijkheid naar het gluteale gebied voor vocht, treedt het slechts zelden op. Indien er niet adequaat wordt ingegrepen, kan dit leiden tot necrose van spier- en zenuwweefsel en andere ernstige complicaties. We bespreken een casus van een kickbokser met gecombineerd letsel van het linkerbovenbeen en de rechterknie. Na tijdige fasciotomie en het coilen van een beschadigd vat links werd er in tweede instantie een voorste-kruisbandplastiek rechts verricht. De patiënt had een voorspoedig herstel.
Een achterste luxatie van de humeruskop komt, in tegenstelling tot de voorste schouderluxatie, niet vaak voor. De incidentie varieert tussen 1,5 en 4% van alle schouderluxaties. De achterste schouderluxatie wordt in 50-79% van de gevallen primair gemist, met mogelijke functiebeperking, pijn, chronische instabiliteit en omarthrosis als gevolg. Oorzaak van het missen van de posterieure luxatie is in de regel een gebrek aan adequate radiologische diagnostiek, de lage incidentie, maar het kan ook een gevolg zijn van geassocieerd letsel dat de aandacht afleidt van een achterste schouderluxatie. Aan de hand van twee casussen wordt de aandacht gevestigd op fysisch-diagnostisch, aanvullend onderzoek en het belang van secondary en tertiary survey bij schoudertraumapatiënten.
Een perilunaire luxatie is een weinig voorkomend traumatisch letsel dat kan optreden na een hoogenergetisch trauma. De presentatie varieert van zuiver ligamentaire letsels tot carpale luxatiefracturen met ligamentair letsel in combinatie met een fractuur van een of meer carpalia. Niet zelden bestaat er een delay in diagnose. De behandeling vereist operatief ingrijpen met open herstel van ligamentaire structuren en vaak ook van fracturen van de carpalia. De prognose is beter bij een tijdige repositie van de carpalia en een open herstel van genoemde structuren.
Een traumatische anterieure schouderluxatie is een frequent voorkomend letsel bij jonge sporters en vormt een belangrijke aanleiding tot het ontstaan van schouderinstabiliteit. In de regel vormt een eerste luxatie geen reden voor chirurgische interventies. Er is echter een tendens om jonge sporters sneller operatief te behandelen, aangezien conservatieve behandeling van deze groep tot een hoog percentage recidieven leidt. Het letsel dat frequent wordt geconstateerd en samenhangt met anterieure instabiliteit, is labrumletsel in combinatie met capsuloligamentair letsel. De chirurgische behandeling is erop gericht dit letsel te reconstrueren. Dit gebeurt de laatste decennia voornamelijk artroscopisch, hoewel een open (wekedelen)techniek nog altijd het laagste recidiefpercentage kent. Voor patiënten met botverlies als gevolg van persisterende schouderinstabiliteit bestaat allerminst consensus in chirurgische behandeling. De kans dat een artroscopische (wekedelen)behandeling echter een teleurstellend resultaat oplevert, is hoog.
De skiduim is een partiële of complete ruptuur van het ulnaire collaterale ligament van het metacarpofalangeale gewricht van de duim. Het is een veelvoorkomend letsel dat tot chronische pijn en instabiliteit kan leiden indien het onjuist gediagnosticeerd wordt. Kennis van de anatomie en zorgvuldig lichamelijk onderzoek zijn essentieel in de evaluatie van de patiënt met een skiduim. In dit artikel wordt een review gegeven van de relevante anatomie, de correcte methode van lichamelijk onderzoek en opties voor aanvullend onderzoek en behandeling met aandacht voor eventuele valkuilen.
De differentiaaldiagnose van pijn in de heup is breed en omvat onder andere stressfracturen van het collum femoris, die worden onderverdeeld in insufficiëntiefracturen en vermoeidheidsfracturen. In deze casus bespreken wij een patiënt met een insufficiëntiefractuur met een zeer ongebruikelijk onderliggend lijden, te weten primaire hyperparathyreoïdie.
Het aantal duikers wereldwijd groeit sterk met als negatief gevolg een toename van het aantal duikongevallen. De praktijk leert ons dat duikers met klachten zich regelmatig op de spoedeisende hulp (SEH) van het dichtstbijzijnde ziekenhuis van de duiklocatie of hun woonplaats melden. Hierdoor kan elke arts in aanraking komen met duikersziekten. Aan de hand van twee casussen, het pulmonaal barotrauma met arteriële gasembolie (AGE) en decompressieziekte, worden de pathogenese en de belangrijkste kenmerken van deze duikersziekten uitgelicht. De acute behandeling van beide duikersziekten bestaat uit het handhaven van een horizontale positie en het toedienen van 100% zuurstof en vocht. Daarnaast dient de duiker zo snel mogelijk behandeld te worden door middel van hyperbare zuurstoftherapie (HBOT). Bij verdenking op een duikersziekte en/of twijfel over het wel of niet behandelen door middel van HBOT dient de behandelend arts contact op te nemen met een gespecialiseerd centrum, in Nederland het Duikmedisch Centrum (DMC) van de Koninklijke Marine in Den Helder en de afdeling Hyperbare Geneeskunde van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam.
Magnetic resonance imaging (MRI) is een grote vooruitgang in de diagnostiek van kniepathologie en blijft continu in ontwikkeling. Voor ligamentaire acute knieletsels is MRI uitermate geschikt. De meest frequent aangedane structuren zijn de menisci, de voorste kruisband (VKB) en het mediale collaterale ligament. Voor meniscusletsel varieert de sensitiviteit van 86 tot 96% en de specificiteit van 84 tot 94%. Voor VKB-rupturen ligt de sensitiviteit van MRI op 86,5% en de specificiteit op 95,2%. Letsel van het laterale collaterale ligament, het posterolaterale complex en de achterste kruisband komt gecombineerd voor, maar is zeldzaam. De ossale en chondrale structuren zijn ook met MRI goed te visualiseren. Met vetsuppressieopnamen worden fissuren en fracturen duidelijk zichtbaar door omringende botcontusies. De overall sensitiviteit en specificiteit voor acute knieletsels (intraen periarticulair) liggen respectievelijk op 82,5 en 92,8% en met de hoge negatief voorspellende waarde van MRI zouden onnodige invasieve artroscopieën tot het verleden kunnen behoren.
Achtergrond. Een compartimentsyndroom van de hand na een trauma is een zeldzaam fenomeen.
Bij uitval van de nervus radialis na een humerusfractuur is het essentieel om onderscheid te maken tussen neurapraxie enerzijds en axonotmesis of neurotmesis anderzijds. Emg-onderzoek als diagnosticum voor dit onderscheid is pas zinvol na vier tot zes weken. Indien zenuwherstel of -genezing niet mogelijk is, dan is de toepassing van peestransposities een voorspelbare en succesvolle behandeling in het kader van functieherstel.
In de prehospitale setting zouden slachtoffers met een verbloedingsshock, bij wie door bijvoorbeeld een beknelling geen scoop and run kan worden uitgevoerd, op theoretische gronden kunnen profiteren van het prehospitaal toedienen van bloedproducten. Daarom is het geven van ongekruist bloed in de prehospitale setting opgenomen in het landelijk protocol van de Mobiele Medische Teams (MMT’s). Omdat de Nederlandse MMT’s geen bloedproducten bij zich hebben, wordt het benodigde bloed betrokken uit het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Dit onderzoek is een eerste analyse van de ervaringen met dit protocol, de effectiviteit en de mogelijke complicaties van prehospitale bloedtransfusie.
Enkelfracturen komen frequent voor en in de afgelopen decennia is de incidentie gestegen. Deze stijging wordt vooral gezien in de groep ouderen. Aangezien er vaak osteoporose en andere ziekten als, zoals diabetes of perifeer vaatlijden, aanwezig zijn, kan het aantal postoperatieve complicaties stijgen tot wel 40%. Om een stabiele osteosynthese in deze fracturen met minimaal additioneel trauma aan de weke delen toe te brengen, is er momenteel een minimaal invasieve intramedullaire fibulapen op de markt. In de hier beschreven casus bleek dit implantaat een waardevolle optie.