
Relatietherapie en de behandeling van geestelijke gezondheidsproblemen in de relationele context zijn meestal gericht op wat we kunnen observeren of op wat door de cliënt zelf wordt gerapporteerd. Hierdoor ligt de focus op interactiepatronen tussen koppels of op de perceptie van de partners van de relatie. Maar de voortschrijdende technologische ontwikkelingen van neurologische en fysiologische processen hebben ertoe geleid dat tegenwoordig meer relatieprocessen waargenomen kunnen worden. Toch wordt in de meeste multi-gezinstherapeutische modellen nog geen gebruikgemaakt van deze kennis. Wij introduceren hier een interventiemodel dat gebaseerd is op het idee dat relatie-interacties beïnvloed worden door de voorbewuste fysiologische processen die horen bij een gepercipieerde dreiging van een bepaalde situatie. Als een situatie als bedreigend wordt ervaren, is de natuurlijke respons van een partner gericht op overleving en zelfbescherming en dit remt het op fysiologie gebaseerde systeem voor sociale betrokkenheid. In dit model zijn de interventies gericht op: (1) verbetering van omgaan met voorbewuste en bewuste processen door een betere positieve emotieregulatie, (2) vermindering van de invloed van vroegere negatieve gebeurtenissen op de huidige relatie, en (3) bevordering van verbindende interacties en vermindering van beschermende interacties in relaties.
Vaste relaties waarbij beide partners een stoornis hebben in het gebruik van middelen (SUD) zijn prevalent. Deze koppels hebben slechtere behandelbetrokkenheid en uitkomsten. Uit onderzoek blijkt een wederzijds verband tussen de relatiedynamiek (bijv. conflict, intimiteit) en middelengebruik. De relatie van het koppel vormt dus een duidelijke sociale context voor het middelengebruik van beide partners. Duale SUD-koppels hebben unieke problemen omdat het middelengebruik iets van hen samen is dat een bevredigende bron van compatibiliteit, nabijheid en relatietevredenheid op korte termijn is, ook al gaat dit ten koste van andere, middelenvrije bronnen van bevestiging. Toch zijn er maar weinig behandelopties voor deze koppels. Duaal maladaptief gezondheidsgedrag (bijv. duaal middelengebruik) is moeilijk te behandelen, maar theorie en voorlopig onderzoek wijzen uit dat een verandering van de gezamenlijke motivatie van het koppel richting adaptief gezondheidsgedrag zou kunnen leiden tot een meer bevredigende relatie en betere behandeluitkomsten voor beide partners. In dit artikel bespreken we de bestaande literatuur over duale SUD-koppels van theoretisch, empirisch en behandelonderzoek en introduceren we een breder paradigma in de manier waarop we kijken naar duale SUD-koppels. Dit zou als basis kunnen dienen voor fundamenteel onderzoek en voor de ontwikkeling van behandelingen.
Dit artikel beschrijft de resultaten van een onderzoek naar de verhalen van siblings over psychische problemen van ouders en de maatschappelijke discoursen die mogelijk hebben bijgedragen aan de betekenisgeving door de siblings op volwassen leeftijd. Vier siblingduo’s zijn gericht geworven en geïnterviewd vanuit een narratieve onderzoeksbenadering. De analyse van narratieven van de deelnemers leverde twee ‘hoofdplots op’: ‘Het verhaal over ons’, en ‘We zijn wie we zijn door wat er is gebeurd.’ Uit de resultaten bleek dat de identiteitsconstructie van elke sibling individueel en de gezamenlijke identiteiten van de siblingduo’s worden beïnvloed door de context van de mentale gesteldheid van de ouder. Verder wijzen de bevindingen op een verandering in de betekenisgeving door de siblings op volwassen leeftijd vergeleken met die in hun kinderjaren. Deze bevindingen worden besproken, evenals de implicaties ervan voor de praktijk en het onderzoek in de systemische therapie.
Gaslighting is een vorm van emotioneel misbruik dat gericht is op het ondermijnen van het vertrouwen van het slachtoffer in het eigen kunnen en deze vorm van misbruik krijgt de afgelopen jaren in de pers en in wetenschappelijk onderzoek steeds meer aandacht. Toch is er in de wetenschappelijke literatuur maar weinig bekend over de subjectieve ervaringen van gaslighting, vooral wat betreft de impact van deze bijzondere epistemische vorm van mishandeling. Wat doet gaslighting met het zelfgevoel van een slachtoffer? Wat is de blijvende impact van deze vorm van mishandeling? Via interviews met slachtoffers van partnergeweld proberen we in deze studie duidelijkheid te krijgen over deze ongrijpbare en verbijsterende vorm van mishandeling, alsmede over de gevolgen ervan voor het gevoel van eigenwaarde van slachtoffers. We hebben interviews afgenomen bij veertien slachtoffers van partnergeweld, over hun ervaringen met gaslighting. Deze gegevens zijn met de kwalitatieve beschrijvende methode geanalyseerd. Er zijn twee clusters van bevindingen naar voren gekomen: (1) de kennisdomeinen die bij de gaslighting betrokken zijn; en (2) de blijvende impact van gaslighting en de manier waarop slachtoffers hiermee proberen om te gaan en van herstellen. De bevindingen van deze studie laten de ingrijpende gevolgen van het verlies van zelfvertrouwen zien, en hoe slachtoffers omgaan met hun veranderd zelfgevoel. In deze studie hebben we diepgaand onderzoek gedaan naar de subjectieve ervaringen van gaslighting bij partnergeweld, met specifieke aandacht voor de bijzondere epistemische dimensies. De bevindingen worden besproken in de context van de Relationele Culturele Theorie (Jordan 2001) en deze bevindingen maken duidelijk dat er veel behoefte is aan screening en opsporing van gaslighting bij partnergeweld.
In dit artikel worden de basisprincipes van contextuele therapie en de behandeldoelen, methodologie en verandertheorie uiteengezet. Ook wordt in dit artikel een overzicht gegeven voor lezers die deze benadering nog niet kennen, dat tevens kan dienen als bijgewerkt referentiekader voor lezers die wel al bekend zijn met de benadering. In het artikel wordt de plaats van contextuele therapie in het enorme veld van de gezinstherapie verduidelijkt en wordt een aantal algemene misvattingen weggenomen over de koers van de grondlegger, Ivan Boszormenyi-Nagy (1920–2007). Ook wordt hierin aangetoond dat contextuele therapie onder de postmoderne, collaboratieve benaderingen van gezinstherapie geschaard kan worden, in tegenstelling tot de gebruikelijke visie dat het onderdeel uitmaakt van de vroegmoderne gezinstherapeutische modellen. Contextuele therapie is uitermate geschikt voor de integratie van de huidige en toekomstige bijdragen van de menswetenschappen en heeft bijzondere therapeutische hulpbronnen die belangrijk zijn voor de behandeling van de individuele en relationele gevolgen van onrecht, wat essentieel zal zijn in de nabije toekomst.
Het doel van het hier beschreven onderzoek was om inzicht te krijgen in de relaties van tweedegeneratievluchtelingen (2G) tijdens hun vormende jaren met hun ouders, de eerste generatie (1G). Vanuit een fenomenologische benadering namen we hiervoor individuele interviews af bij zes tweedegeneratievluchtelingen in de VS (drie Hmong-Amerikanen en drie Somalisch-Amerikanen) die voldeden aan het deelnamecriterium van het onderzoek, namelijk ‘invloed ondervinden van het migratietrauma van hun ouders’. De thema’s uit de verhalen van de deelnemers beschrijven: 1) de kwaliteit van de relatie van de 2G-vluchtelingen met hun ouders, 1G-vluchtelingen; 2) integratie van alle dimensies van de intersectionele identiteiten van de 2G; 3) bronnen van veerkracht bij de 2G; en 4) blik op de toekomst. De bevindingen van dit onderzoek laten zien in wat voor opzichten intergenerationeel trauma de relaties van de 2G-vluchtelingen met hun ouders beïnvloedde, waarmee het extra lagen van complexiteit toevoegde aan de normale uitdagingen van de adolescentie als ontwikkelingsfase. Onderzoekers worden aangemoedigd om bij het onderzoeken van relatiedynamieken in vluchtelingenfamilies de effecten van migratietrauma door de generaties heen te bekijken via de bril van familiesystemen. Hulpverleners dienen tijdens het werken met adolescenten met een vluchtelingenachtergrond en hun families aandacht te besteden aan de systemische effecten van stress en trauma van vluchtelingen.
Het doel van dit onderzoek is de ontwikkeling van de Positive Father Scale, een instrument waarmee positieve vadereigenschappen worden gemeten vanuit het perspectief van kinderen. De cross-sectionele onderzoeksopzet bestond uit de volgende fasen: interviews met individuele deelnemers, ontwikkeling van een schaal bestaand uit 24 items met vier subdimensies (nabijheid in gedrag, ondersteunen van autonomie, gewetensvolheid, extraversie), het toetsen van de schaal en het uitvoeren van een factoranalyse en van analyses van de validiteit en de betrouwbaarheid bij twee steekproefgroepen. De schaal had een hoge consistentie op alle subdimensies en de totaalscore, wat de betrouwbaarheid en validiteit bevestigde. Deze gevalideerde schaal, ontwikkeld voor het meten van positieve vadereigenschappen, belicht kenmerken van effectief vaderschap, wijst op gebieden met ruimte voor groei en de schaal kan behulpzaam zijn bij onderzoek in de psychologie, sociologie en familiewetenschap. Om de validiteit van de Positive Father Scale op de langere termijn te handhaven, kan de schaal in toekomstige studies worden afgenomen bij groepen met verschillende culturele achtergronden en in uiteenlopende leeftijdscategorieën. Het gebruik van deze schaal kan de weg vrijmaken voor de ontwikkeling en het gebruik van gelijksoortige schalen voor andere familierollen, ten einde onze holistische kennis van familiedynamieken te verrijken.
De afwezigheid van een vader en de ontwrichting van een gezin als gevolg van sociaal onrecht zoals gevangenschap, mentale problemen en middelenmisbruik zijn uitgebreid gedocumenteerd. In dit artikel onderzoeken we de manier waarop systemische ongelijkheid, zoals racisme, bijdraagt aan destructief recht dat vaak transgenerationeel aanwezig is in gezinnen die te maken hebben gehad met de afwezigheid van een vader. Het is hierbij belangrijk om naar raciaal trauma te kijken, omdat het probleem van de afwezigheid van de vader en het daardoor ontwrichte gezin niet beperkt blijven tot een raciale of etnische groep. De gevolgen worden binnen gezinnen van kleur vaak versterkt door de kruisende invloed van systemisch racisme. In dit artikel ligt de nadruk op de concepten van de contextuele gezinstherapie (CFT), zoals meervoudige partijdigheid, destructief recht en exoneratie; omdat die van toepassing zijn op deze gezinnen binnen de context van raciaal trauma. CFT-gezinstherapeuten zouden bij de behandeling van gezinnen die te maken hebben gehad met gevangenschap, geestelijke gezondheidsproblemen en/of middelenmisbruik aandacht moeten besteden aan raciaal trauma, omdat dit een grote invloed heeft op alle gezinsleden en op de gezinsdynamiek. Aan de hand van een voorbeeld van een klinische casus laten we zien dat CFT in deze veerkrachtige gezinnen ondersteunend kan zijn in de verbindende beweging naar de heling van de ouder- en ouder-kindrelatie.
Achtergrond: Het doel van deze studie was te onderzoeken wat het verband is tussen opvoedingsstijl en de opvattingen van ouders over gezondheidsgerelateerde besluitvorming van adolescenten. Tijdens de adolescentie nemen verantwoordelijkheid en autonomie geleidelijk toe en dit heeft invloed op het gedrag van de ouders en de ontwikkeling van het kind. Meer inzicht in de manier waarop opvoeding is gerelateerd aan de visie van ouders op medische besluitvorming is van cruciaal belang voor de ouder-kind-arts-triade. Dit is de eerste studie waarin onderzoek is gedaan naar opvoeding en de opvattingen van ouders over de medische besluitvorming. In dit onderzoek hebben we een vergelijking gemaakt tussen ouders uit België en Nederland, twee landen met verschillende wettelijke kaders voor de medische besluitvorming van adolescenten. Methode: 984 Belgische- en 992 Nederlandse ouders (leeftijd 35–55 jaar) met tenminste één kind hebben online een vragenlijst ingevuld. De analytische methoden bestonden uit t-toetsen, structurele vergelijkingsmodellen en latente profielanalyse. Resultaten: de ouders vinden dat hun kind beslissingsbekwaam is op een leeftijd van 16,7 jaar. Nederlandse ouders geven hun kind op jongere leeftijd autonomie dan Belgische ouders. Ouders met hoge verwachtingen van gedrag geven hun kind op latere leeftijd autonomie, ouders die hoog scoren op ondersteuning bij autonomie en op straf geven hun kind op jongere leeftijd autonomie. We hebben de ouders in vier groepen onderverdeeld: zeer permissief, matig permissief, matig restrictief en zeer restrictief. De meeste ouders waren matig tot zeer restrictief. Conclusie: deze studie maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat ouders voorlichting krijgen over de ontwikkeling van hun adolescent en dat zij begeleid worden bij het geven van autonomie. Opvoeding waarbij de autonomie van de adolescent wordt bevorderd en waar open wordt gecommuniceerd tussen ouders en adolescent, draagt bij aan een ouder-kindrelatie met meer vertrouwen en ondersteuning voor de adolescent bij het nemen van medische beslissingen.
De hechtingstheorie en de emotiewetenschap vormen een sterke basis voor interventies op gezinstherapeutisch niveau. De vier therapievormen Hechtingsgerichte Gezinstherapie, Emotiegerichte Gezinstherapie, Dyadische Ontwikkelingspsychotherapie en Emotioneel Gerichte Gezinstherapie illustreren hoe een brede én precieze benadering van hechtingsrelaties en emoties, toegepast binnen een relationeel en empathisch kader, kan leiden tot effectieve interventies voor uiteenlopende problemen. Dit artikel is een voortzetting van een gesprek dat startte tijdens de Conferentie voor Hechting en Emotie in Gezinstherapie in 2021, met als doel openheid, samenwerking en bevestiging te bevorderen tussen vier verschillende gezinstherapeutische modellen met een gedeelde theoretische basis. De sprekers van de Conferentie en de auteurs van dit artikel zien de overeenkomsten tussen deze modellen als een bekrachtiging- en de verschillen als een kans om meer gezinnen op een passende te helpen, waarbij de betrokkenen kunnen leren van elkaars creativiteit, zodat gezinnen ook in de toekomst effectiever geholpen kunnen worden. In dit artikel wordt uiteengezet wat het belang is van de hechtingstheorie en de emotiewetenschap voor de gezinstherapie. Daarnaast maken de auteurs hierin duidelijk hoe belangrijk het is om te leren van verschillende modellen met een gedeelde theoretische basis. Vervolgens geven zij een beknopt overzicht van de vier therapiemodellen die tijdens de Conferentie zijn gepresenteerd en vergelijken zij de overeenkomsten en complementaire verschillen tussen deze modellen. Tot slot vertellen de sprekers van de Conferentie over hun beste ervaringen.
Transgender en non-binaire jongeren (TGNB-jongeren) hebben een verhoogd risico op een slechte mentale gezondheid. Families hebben vaak een aanzienlijke invloed op de mentale gezondheid van TGNB-jongeren, vanwege de behoefte aan acceptatie van- en steun bij hun genderexploratie, identiteit en toegang tot genderbevestigende hulp. Wij hebben een theoretisch gefundeerd literatuuronderzoek uitgevoerd, met als uitgangspunt het Family Resilience Framework (FRF; Walsh 2015). Het doel was om deze theorie over veerkracht van families als leidraad te gebruiken voor het begrijpen van de mentale gezondheid van TGNB-jongeren die een gezinsinterventie krijgen. Het literatuuronderzoek leverde de volgende bevindingen op: (1) geloofssystemen om betekenis te verlenen aan gender, seksualiteit, de coming-out van TGNB-jongeren en de toekomst die zij voor zich zien; (2) flexibele organisatieprocessen voor een door jongeren zelf geleide gendertransitie, duurzame verbondenheid in het gezin en toegang tot genderbevestigende welzijnsvoorzieningen en medische zorg; en (3) communicatieprocessen die TGNB-jongeren in staat stellen om hun emoties te delen met hun verzorgers en samen met hen beslissingen te nemen. Implicaties voor gezinsinterventie worden besproken.
Het aantal samengestelde gezinnen neemt toe en daarom is er ook voor deze gezinnen steeds meer behoefte aan evidence-based, therapeutische behandelingen. Samengestelde gezinnen hebben specifieke problemen, zoals rouw, depressie, aanpassingsproblemen en conflicten binnen het gezin of het ouderpaar (Jensen et al. Family Process 57: 477–495, 2018). Adolescenten in samengestelde gezinnen hebben de meeste aanpassingsproblemen en die kunnen hechtingsgerelateerde gevolgen hebben. Dit is weer nadelig voor hun schoolprestaties, geestelijke gezondheid en algemene welzijn, zoals bij depressie, loyaliteitsconflicten en slechte schoolprestaties (Jensen et al. Family Process 57: 477–495, 2018; Papernow Family Process 57:25–51, 2018). Gezinstherapie kan alle gezinsleden helpen bij het verwerken van- en aanpassen aan de veranderingen tijdens de overgang naar een samengesteld gezin, maar vooral adolescenten hebben hier baat bij. In dit artikel bespreken we het huidige onderzoek naar samengestelde gezinnen en raden we Hechtingsgerelateerde Gezinstherapie (ABFT) aan als behandelmodel voor samengestelde gezinnen. ABFT is gericht op de hechting tussen gezinsleden, vooral tussen adolescenten en hun ouders. Een therapeut die met dit model werkt kijkt samen met het gezin naar de onderliggende schade die tijdens het veranderingsproces in de gezinsdynamiek naar voren komt en creëert mogelijkheden voor het herstel van de hechting tussen ouder en kind.
In Portugal leven ongeveer 8.000 kinderen met een levensbedreigende ziekte. Aangezien families behoefte blijken te hebben aan psychologische hulp, is een innovatieve online interventie voor families ontwikkeld en die is onderzocht. Het doel daarvan was om de potentiële effecten te onderzoeken van drie interventieprogramma’s op de psychologische ervaring van respectievelijk ouders, grootouders en broers en zussen. De pilotstudie heeft een quasi-experimentele opzet, met gemengde meetmethodes en metingen voor- en na de interventie. De familieleden werden niet-aselect ingedeeld in een controlegroep of een experimentele groep. In het onderzoek werden twaalf ouders, zes grootouders en zes siblings geïncludeerd. Pre- en post-interventie werden semigestructureerde interviews en vragenlijsten afgenomen. Bij de ouders werden significante verbeteringen gevonden in hun scores op de Coping Health-vragenlijst. Ook hun angst nam af, en alle deelnemers rapporteerden een positiever perspectief op de ziekte, meer hoop en het ontwikkelen van meer vaardigheden. Bij de grootouders was sprake van een klinisch relevante afname van klachten van angst, stress en depressie. Tijdens de kwalitatieve feedback vertelden de grootouders dat ze hun veerkracht en vreugde meer onderkenden. De resultaten van de pilot wijzen ook op positieve reacties bij de siblings, op het vlak van het ervaren van het gezinsleven als normaal, en in de vorm van een afname in angst als eigenschap. Ondanks deze positieve uitkomsten kunnen we de kleine steekproefomvang niet onvermeld laten. Om deze bevindingen te kunnen bevestigen is meer onderzoek nodig.
Er zijn nog weinig studies gedaan naar de intersectie tussen de Islam en de seksualiteit van de mens. Het gevolg hiervan is dat opleiders en therapeuten niet goed toegerust zijn om jongvolwassenen te helpen hun weg te vinden in de hedendaagse Westerse cultuur. Wij deden een kwalitatief onderzoek onder acht Islamitische universiteitsstudenten, aan de hand van een sleutelinformant-interview. De belangrijkste onderwerpen waren: seksualiteit, religie, familie, sociale media, vrienden en cultuur. Na een iteratieve gegevensreductie vanuit feministische oogpunt, hebben we een thematische analyse uitgevoerd met speciale aandacht voor gelijkheid en macht. De deelnemers van de studie hebben aangegeven wat er wel en niet goed ging tijdens het integreren van hun Islamitische identiteit in de Westerse wereld. Herinterpretatie van delen van de Koran en zelf- en familiedifferentiatie maakten het voor hen mogelijk om de Islam op een manier te omarmen die voor hen persoonlijk goed aanvoelt; want in lijn met het geloof en seksueel gezond. De onderzoeks-, educatieve en klinische implicaties hiervan komen in de conclusie aan bod.
Systemische modellen voor relatie- en gezinstherapie (RGT) worden vaak ingedeeld in twee transtheoretische paradigma’s: modernisme en postmodernisme. Van oudsher worden deze twee paradigma’s vaak tegenover elkaar gezet en worden deze bekritiseerd om hun respectievelijke epistemologie en positie ten aanzien van de definities van waarheid en werkelijkheid. In het veld van RGT heeft het binariseren van systemische modellen voor theoretische scheidslijnen gezorgd die veel clinici ervan weerhouden om aan de slag te gaan met de beperkingen van beide transtheoretische paradigma’s, en om de voordelen ervan te versterken. Het metamodernisme, een filosofisch paradigma dat de nadruk legt op theoretisch pluralisme, reflexiviteit en dialectische processen, is naar voren gekomen als een mogelijke oplossing om de filosofische spanningen tussen het modernisme en het postmodernisme aan te pakken; er bestaat op dit moment echter geen benadering van systeemtherapie die aansluit bij de principes van dit paradigma. In dit artikel wordt de toepassing van het metamodernisme in het veld van systeemtherapie geschetst door de presentatie van een dynamische narratieve therapie, een vernieuwende benadering van systeemtherapie die is ontleend aan de integratie van twee theoretische modellen (d.w.z. strategische gezinstherapie en narratieve gezinstherapie). Deze integratie is een synergie van zowel de strategische concepten van circulaire causaliteit en feedbackloops als van het narratieve gebruik van deconstructie, externalisering en narratieve metafoor; ten einde een veelomvattender benadering van de therapeutische verandering te illustreren.
Inzicht in de manier waarop communicatieprocessen bijdragen aan goed functionerende versus gestreste partnerrelaties heeft zich grotendeels verlaten op korte, in een laboratorium gesitueerde gesprekken. Met de inzet van technologische ontwikkelingen voegt het huidige onderzoek hier kennis aan toe door de naturalistische communicatie van koppels op tijdstip 1 (T1) gedurende één hele dag vast te leggen. In dit onderzoek worden relaties getoetst tussen data-gestuurde categorieën van communicatie van koppels en relatie-uitkomsten (d.w.z. relationele agressie, satisfactie en ontbinding) op tijdstip 2 (T2), ongeveer een jaar later. Ontluikende volwassenen met een relatie met iemand van het andere geslacht (n = 106 koppels; 212 personen; Mleeftijd = 22,57 ± 2,44; Mrelatieduur = 30,49 maanden ± 24,05; 72,2
Uit onderzoek is gebleken dat interpersoonlijk jeugdtrauma gerelateerd is aan slechtere ouderlijke en koppeluitkomsten na de geboorte van een kind. De ouderlijke samenwerkingsrelatie is een bijzonder aspect van het ouderlijk functioneren, speelt daarom een belangrijke rol tijdens deze overgangsperiode en de samenwerkingsrelatie van ouders staat ook in verband met het welzijn van ouder en kind op langere termijn. Toch is er nog maar weinig onderzoek gedaan naar de ouderlijke samenwerkingsrelatie in relatie tot jeugdtrauma en is er nog weinig bekend over de onderliggende mechanismen van deze relatie bij koppels. Bekend is wel dat dispositionele mindfulness een rol speelt bij de partnerrelatie van slachtoffers van interpersoonlijk trauma in hun kindertijd, en daarom zou dit ook hier een verklarend mechanisme kunnen zijn. Vanuit een dyadische benadering hebben we in deze studie de rol van dispositionele mindfulness en de verschillende aspecten ervan onderzocht, in de relatie tussen cumulatief interpersoonlijke jeugdtrauma (CCIT) en de ouderlijke samenwerkingsrelatie. Een random geselecteerde bevolkingssteekproef van 421 jonge ouders heeft hiertoe online vragenlijsten ingevuld. Zowel bij de moeders als bij de vaders blijkt CCIT in verband te staat met een negatievere perceptie van de ouderlijke samenwerkingsrelatie als gevolg van lagere dispositionele mindfulness, vooral door lagere scores voor de niet-oordelende en beschrijvende aspecten. Daarnaast komen uit de resultaten dyadische indirecte effecten naar voren tussen de CCIT van de ouders en hun ouderlijke samenwerkingsrelatie als gevolg van de dispositionele mindfulness van beide partners. Deze studie geeft inzicht in de manier waarop jonge ouders door hun dispositionele mindfulness elkaars gepercipieerde ouderlijke samenwerkingsrelatie beïnvloeden. Uit de resultaten blijkt ook het belang van mindfulness als een belangrijk mechanisme voor CCIT-slachtoffers die moeite hebben om een positieve ouderlijke samenwerkingsrelatie op te bouwen of in stand te houden. Ook blijkt uit de resultaten hoe belangrijk het is om beide ouders bij het onderzoek en de interventie te betrekken.
De beweging rond evidence-based therapieën (EBT) heeft zich voornamelijk gericht op de inhoud van de kerninterventies en de mate van behandeltrouw. Daarbij is er echter weinig aandacht besteed aan de therapeutische vaardigheden die nodig zijn om goed te kunnen omgaan met interpersoonlijke processen tijdens de behandeling. Dit gemis is vooral zichtbaar bij moeilijk te behandelen adolescenten, zoals jongeren met delinquent gedrag, middelengebruik of medische therapieontrouw. Een veelgehoorde klacht van therapeuten in de ‘echte wereld’ over geprotocolleerde behandelingen, is het gebrek aan overeenstemming tussen het volgen van een protocol en het beheersen van microsociale interpersoonlijke processen (bijv. negatief affect) die bij de behandeling van ‘echte cliënten’ kunnen optreden. Hoewel gezinsgerichte EBT’s belangrijke overeenkomsten vertonen – zoals de aandacht voor gezinsinteracties, nadruk op therapeutische betrokkenheid en actieve deelname van het gezin – ontbreekt bij de meeste van deze behandelingen een solide bewijsbasis voor de implementatie- en behandelproblemen die therapeuten in de praktijk vaak tegenkomen. Dit gebeurt met name halverwege het behandeltraject, wanneer de druk op gezinnen om hun gedrag te veranderen het grootst is. Dit tekort weerspiegelt een breder gemis binnen het werkveld als geheel. Het niet effectief aanpakken van gangbare interpersoonlijke processen bij moeilijk te behandelen gezinnen kan de behandeltrouw, het duurzame gebruik van EBT’s en een goede behandeluitkomst ondermijnen, de behandeluitval vergroten en kan het niet naleven van de behandeling in de hand werken. Recente ontwikkelingen in draagbare apparatuur, detectietechnologie, multivariate tijdreeksanalyses en machine learning stellen wetenschappers in staat grote vooruitgang te boeken in het onderzoek naar psychotherapeutische processen. Deze technologieën maken het mogelijk om ‘onder de huid’ te kijken van de interpersoonlijke interacties tussen hulpverlener en cliënt, interacties die bepalend zijn voor de therapeutische alliantie, empathie en empathische accuraatheid. Daarnaast vergroten deze technologieën het inzicht in de voorspellende validiteit van deze processen (zoals de therapeutische alliantie en therapeutische empathie) voor de uiteindelijke behandeluitkomst. De beoordeling van deze processen kan verder worden verdiept door procedures te ontwikkelen waarmee hulpverleners worden getraind in het goed omgaan met moeilijke interpersoonlijke processen, terwijl zij tegelijkertijd scherp blijven op psychotherapeutische processen. In dit artikel bepleiten wij om de ‘zwarte doos’ van psychotherapie te openen door de klinische binnenkant van evidence-based behandelingen te onderzoeken. Op die manier kan de wetenschap van evidence-based psychotherapie worden versterkt en kan een nieuwe generatie audit- en feedbacksystemen (d.w.z. systematische beoordelingen van professioneel handelen) worden ontwikkeld voor supervisie.
Hoewel de structureel-strategische gezinstherapie (FT) een evidence-based benadering is voor gedragsproblemen bij adolescenten, worden geprotocolleerde modellen voor gezinstherapie niet overal in de praktijk toegepast vanwege de trainings- en implementatiehulpmiddelen die daarvoor vereist zijn. In dit artikel wordt een competentieraamwerk gepresenteerd dat bedoeld is om gezinssamenwerking bij adolescentcasussen te bevorderen. Als eerste wordt besproken welke uitdagingen gepaard gaan met de invoering van FT in de standaardhulpverlening en wordt de kernelementen-strategie gepresenteerd. Vervolgens worden drie ‘vertakkingen’ geïntroduceerd die samen een continuüm van gezinsbetrokkenheid vormen – gezinssamenwerking, vaardigheidstraining bij het gezin en systemische gezinstherapie – waarbij de rationale en procedures voor het toepassen van de competentierichtlijnen voor gezinssamenwerking specifiek worden beschreven. Daarna worden de basistechnieken en de competentierichtlijnen voor zes kernelementen van gezinssamenwerking besproken: Outreachend werken met gezinssystemen, Ecosysteem van de adolescent, Locatie van het zelf, Doelen stellen, Gezinsparticipatie, Consultatie van de verzorger en Management van de gezinssessie. Het artikel wordt afgesloten met een bespreking van toekomstige richtingen voor dit raamwerk en de ontwikkeling van aanvullende competenties voor de andere vertakkingen. Hoewel er verder onderzoek nodig is om de werkzaamheid van de behandelvertakkingen en de bijbehorende competentiestandaarden te testen, biedt dit artikel een vernieuwende aanpak voor het betrekken van gezinsleden bij de hulpverlening, met toegankelijke competentierichtlijnen.