Recensiesom hun toepassing in een bestaande organisatie (92).Ten tweede kwam de aandrang tot vernieuwing niet voort uit de VOC zelf, maar was 'op sluwe wijze afgedwongen' (98) door het zogenaamde vijfde departement, bestaande uit vertegenwoordigers van de regering, toegevoegd aan het VOC-bewind om verbeteringen in de bedrijfsvoering door te voeren.Dat de pakketvaart een 'uitstekende investering' was en 'significante verbetering' had gebracht wordt wel beweerd (145) maar niet overtuigend aangetoond.Zo bleken de kosten veel groter dan de opbrengsten; indirecte baten worden niet aangetoond.Hoe de instelling van de pakketvaart inhaakte op andere vernieuwingen bij de VOC wordt niet aangegeven.De bewering dat de pakketvaart van de VOC 'door de oorlogssituatie vanaf 1793 niet meer de kans heeft gekregen zich ten volle te bewijzen' is iets te gemakkelijk.Al voor die tijd was het aantal pakketschepen terug gebracht van tien naar zes, werden afvaarten meer en meer vertraagd, duurden de reizen langer en liepen de inkomsten terug.Morees belangstelling is meer antiquarisch dan analytisch.Een heldere probleemstelling en een onderbouwde conclusie ontbreken.Recente methodische en inhoudelijke inzichten op het gebied van geschiedenis van techniek en bedrijf heeft hij niet benut.Daardoor komen de analyse en de evaluatie van het innovatieproces niet uit de verf.De auteur lijkt behept met het idee dat de vernieuwende waarde van zijn onderzoek afhankelijk is, niet van de kwaliteit van de analyse, maar van het innovatief gehalte van de VOC-pakketvaart.Dat laatste wordt vooral aangetoond met retorische middelen, desnoods ten koste van feitelijke juistheid.Zo luidt het slot van zijn Nawoord (155): 'In 1888 werd in Nederland de Koninklijke pakketvaart maatschappij opgericht.Exact honderd jaar na de eerste pakketboot van de VOC was er weer een Nederlandse lijndienst op Indië'.De KPM voer echter alleen binnen de Indonesische archipel en een lijndienst tussen Nederland en Indië was er al veel eerder.Antiquarische belangstelling is alleszins te waarderen als deze uitmondt in een mooi geschreven en uitgegeven boek.Dat is ditmaal helaas niet het geval.De eigenlijke tekst beslaat nog geen 150 bladzijden, waarvan zeer vele (grotendeels) wit.Witregels als alineascheiding versterken het brokkelig karakter van de tekst.De schrijver veroorlooft zich veel herhalingen en is besmet met het pleonasme-virus (19: 'het definitieve besluit over de toekomstige bestemming' ; 25: 'onder wie onder meer' ; 45: 'daadwerkelijk actief' ; 90: 'definitieve doodsteek').Matig gebruik van archaïsmen kan dienstig zijn voor het oproepen van de sfeer van vroeger tijden, maar termen als 'inlander' (40-43) kunnen beter worden vermeden.
Met deze twee publikaties heeft de nieuwe serie Nederlandse marinegeschiedenis (deel I, van de hand van F. M. van Eelderen, behandelt de geschiedenis van de Helderse vestingwerken) zich binnen korte tijd tot een belangrijke aanwinst ontwikkeld.Voortgekomen uit de moderne en vruchtbare samenwerking tussen overheid (Afdeling maritieme historie van de marinestaf) en bedrijfsleven, en fraai gepresenteerd in groot formaat, duidelijke druk en rijke illustratie is hier een basis gelegd, waarop hopelijk nog lang voortgebouwd kan worden.De marinegeschiedenis is in al haar aspecten in een stroomversnelling terecht gekomen en met een dergelijke aantrekkelijke organisatorische matrix om toekomstige auteurs aan te moedigen mag verwacht worden, dat een groot aantal tot nu toe verwaarloosde onderwerpen aan de orde gesteld zal kunnen worden.De gevarieerdheid van de serie toont, dat de eindredactie een ruime blik heeft, die lof verdient en tot navolging aanspoort.Beide hier besproken titels zijn op nauwgezet archiefonderzoek gebaseerd; ook op grond hiervan is het te wensen dat de Bijdragen met kracht worden voortgezet.De Vos van Steenwijks Het marinebeleid in de tweede wereldoorlog heeft, onvermijdelijk, de vergelijking met Bosschers meerdelig magnum opus te doorstaan; het is daarom een fijn trekje, dat het door Bosscher zelf met een (bijzonder lovend) 'woord van appreciatie' wordt ingeleid.De Vos van Steenwijk trekt de hoofdlijnen van zijn betoog helder en krachtig.De vorming van het marineheleid onder de altijd moeilijke omstandigheden van de wereldoorlog in al zijn complexiteit en de soms intense meningsverschillen tussen de diverse persoonlijkheden en instanties wordt scherp geanalyseerd; de passages over, bijvoorbeeld, de denkbeelden, besluiten en acties van Furstner, Helfrich en Doorman zijn weloverwogen en waardevol.De strijd ook om de uiteindelijke prioriteiten in de oorlog tegen Japan (het verslaan van de vijand of het herstel van de Nederlandse macht in Oost-Indië) wordt indringend uit de doeken gedaan.
J.R. Bruijn, F.S. Gaastra, I. Schöffer, Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries, I, Introductory volume J.R. Bruijn, F.S. Gaastra, I. Schöffer, Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries, II, Outward-bound voyages from the Netherlands to Asia and the Cape (1595-1794) J.R. Bruijn, F.S. Gaastra, I. Schöffer, Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries, III, Homeward-bound voyages from Asia and the Cape to the Netherlands (1597-1795)
uit 1840, die in extenso als nuttige bijlage werd opgenomen, verdient in dit opzicht veel lof.