In een OBN studie heeft Alterra onderzoek gedaan naar succesvolle maatregelen en kennisvragen van belang voor het behoud van biodiversiteit in binnendijkse graslanden en moerassen. De volgende primaire standplaatsen (PS) vielen binnen de onderzoeksvraag naar graslanden en moerassen op zeeklei: Brak verlandingsveen (PS025), Binnendijkse zilte kleigronden (PS041), Zoet en brak verlandingsveen (PS026), Eutrofe, matig basenrijke veengronden (PS019), Kalkrijke, of kalkarme vochtig tot natte zeekleigronden (PS042A, PS042C), en kalkrijke, of kalkarme afgesloten strandvlakten en kreekruggen (PS043A, PS043C)
Een gangbare maatregel bij natuurherstelprojecten op voormalige landbouwgronden is het afgraven van de voedselrijke bovenste bodemlaag. Hierover is al veel ervaring opgedaan op de zandgronden. Dit keer komen kleigronden aan bod, en wel die van Zeeland. Een bijdrage van Provincie Zeeland en Alterra
De afgelopen jaren is in veel graslandreservaten een zodanige toename van Pitrus geconstateerd dat botanische en weidevogeldoelstellingen niet meer kunnen worden gerealiseerd. Het probleem doet zich vooral voor op gronden die de laatste 20 jaar zijn overgekomen uit de landbouw. Op verzoek van en in samenwerking met Staatsbosbeheer heeft het OBN deskundigenteam natte schraallanden in 2003 een onderzoeksprotocol opgesteld om dominantie van pitrus terug te dringen. Dit heeft in overleg met Staatsbosbeheer geleid tot de selectie van het Geeserstroomgebied als locatie voor experimenten op praktijkschaal. De vegetationtwikkelingen over de afgelopen 2 jaar staan in dit rapport centraal
Om een goede uitgangssituatie voor natuurontwikkeling mogelijk te maken kan het zinvol zijn om de bouwvoor en / of diepere bodemlagen te verwijderen. Dat is echter lang niet altijd haalbaar of wenselijk. Het uitmijnen kan dan een alternatief zijn. Dit nu is onderzocht door het selectief toedienen van voedingsstoffen, bv stikstof en kalium, waardoor fosfaat versneld via planten en afmaaien aan de bodem wordt onttrokken.
Natuurgebieden met Natura 2000 status zijn vaak sterk afhankelijk van goede watercondities. Behalve brongerichte maatregelen zijn ook ruimtelijke effectgerichte maatregelen noodzakelijk. Gebieden rond Natura 2000 wetlands kunnen als buffergebied ingericht worden om de vereiste waterkwaliteit in het natuurgebied te behalen. Waterberging leidt tot minder inlaat van gebiedsvreemd water. Verbetering van de waterkwaliteit is mogelijk door het buffergebied in te richten als helofytenfilter of als slootzuiveringssyteem. De effectiviteit en het ruimtebeslag van dergelijke ruimtelijke maatregelen is berekend voor het Natura 2000 gebied De Haeck bij de Nieuwkoopse Plassen. Ook is een inschatting gemaakt van de kosten en baten van dergelijke systemen
Als gevolg van de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) komen landbouwgronden beschikbaar voor natuurontwikkeling. De doelstelling van het project is: het evalueren van de effectiviteit van afgraven in combinatie met begrazing, afhankelijk van het bodemtype, voor het verlagen van de fosfaatbeschikbaarheid voor nat schraalgrasland en nat, matig voedselrijk graslanden op voormalige landbouwgronden in de provincie Zeeland. De vegetatie en bodemeigenschappen werden onderzocht op 25 terreinen met een landbouwkundig verleden en op 12 referentie natuurterreinen zonder een dergelijk verleden
Uit onze analyse blijkt dat 675.000 ha van de netto-Ecologische Hoofdstructuur kan worden vernat, met mogelijke gevolgen voor 529.00 ha landbouwgrond binnen de EHS. Uit veldexperimenten blijkt dat een grondwaterstandverhoging van 110 (normaal peil) naar 75 cm-mv (hoog peil) op akkerbouwland geen effect heeft op de opbrengsten en productkwaliteit. Deze vernatting resulteerde wel in lagere N-afvoer en hogere P-afvoer met het gewas. Bij het hoge peil werden lagere nitraat-N en hogere totaal-P concentraties in het grondwater gevonden. Bij het normale peil zijn NO3-concentraties ca. 100 mg/l. Er vindt nauwelijks PO4-P-uitspoeling plaats. Subirrigatie van 250-330 mm water per jaar leidde in 2003 tot 80 mm minder beregening. De waterkwaliteit van infiltrerend oppervlaktewater is sterk bepalend voor nutrientenconcentraties in het grondwater. Met een door ons aangepast waterkwaliteitsinstrumentarium kunnen nitraatconcentraties in het grondwater, de N- en P-afvoer en de N- en P-concentraties naar het oppervlaktewater op regionale schaal berekend worden.