Objective: In this study we examined the associations between menopausal symptoms and work ability and health among a general population of Dutch female workers. Study design: This nationwide cross-sectional study was a follow-up of the Netherlands Working Conditions Survey 2020. In 2021, 4010 Dutch female employees aged 40-67 years completed an online survey on a variety of topics, including menopausal symptoms, work ability and health. Methods: Linear and logistic regression analyses were performed to investigate the association between the degree of menopausal symptoms with work ability, self-rated health and emotional exhaustion, after adjustment for potential confounders. Results: Almost one-fifth of participants were in the perimenopause (n = 743). Of these women, 80 % experienced menopausal symptoms: 27.5 % 'often' and 52.5 % 'sometimes'. Experiencing menopausal symptoms was associated with lower work ability, poorer self-rated health, and more emotional exhaustion. These associations were most pronounced among perimenopausal women 'often' experiencing symptoms. Conclusions: Menopausal symptoms threaten the sustainable employability of female workers. Interventions and guidelines are needed to support women, employers and (occupational) health professionals.
NL Dit onderzoek beoogt op basis van een groot praktijkgericht onderzoek bij verschillende werkgevers te bepalen in hoeverre anoniem solliciteren in de werving- en selectiefase bijdraagt aan de kansengelijkheid tussen kandidaten van verschillende leeftijden, migratieachtergronden en geslachten. In zowel de controleperiode als de interventieperiode werden ongeveer 1650 kandidaten gevolgd. Het verschil in uitnodigingskans is door middel van logistische regressieanalyse met een interactieterm tussen persoonskenmerken en periode getoetst. De kans op een uitnodiging lag voor alle groepen (mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, en mensen met en zonder migratieachtergrond) rond de 50% in de reguliere periode en rond de 35% in de anonieme periode. We vonden geen significant effect van anoniem solliciteren op verschillen in kans op een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek tussen kandidaten met verschillende leeftijden, migratieachtergronden en geslachten. Daarmee kan dit onderzoek niet bevestigen dat anoniem solliciteren discriminatie tegengaat in de werving- en selectieprocedure. Op basis van eerder onderzoek lijkt het erop dat anoniem solliciteren mogelijk alleen werkt voor specifieke functies en bepaalde doelgroepen.
Objective Demanding psychosocial work characteristics, such as high job demands, can have a detrimental impact on leisure–time physical activity (LTPA), with adverse consequences for employee health and well-being. However, the mechanisms and moderators of this crossover effect are still largely unknown. We therefore aimed to identify and test potential mediating and moderating factors from within and outside the work environment. Based on the previous research, we expected job demands to be negatively related to LTPA through fatigue. In addition, we expected that job control and worktime control would attenuate the relationship between job demands and fatigue. Furthermore, we hypothesized that autonomous exercise motivation and spontaneous action planning would attenuate the relationship between fatigue and LTPA. In addition to these cross-sectional hypotheses, we expected the same effects to predict a change in LTPA in the following year. Methods To investigate these assumptions, a preregistered longitudinal survey study was conducted among a large sample of Dutch employees in sedentary jobs. Participants reported on the constructs of interest in 2017 and 2018 ( N = 1189 and 665 respectively) and the resulting data were analyzed using path analyses. Results Our cross-sectional analyses confirm a weak indirect, negative association between job demands and LTPA, via fatigue. However, this finding was not observed in our longitudinal analyses and none of the other hypotheses were confirmed. Conclusion This study shows that, among employees with relatively healthy psychosocial work characteristics (i.e., high job control), the evidence for an impact of these work characteristics on participation in LTPA is limited.
Introduction: The call to work from home was one of the measures taken by the Dutch government. Almost 50% of the Dutch workers did so. Although working from home was already common in the Netherlands, the number of homeworkers and the number of hours they worked from home increased significantly. This paper provides an overview of changes in working conditions and health of homeworkers in the Netherlands between 2019 (pre-COVID-19) and March 2021. Materials and Methods: For this, the NWCS-COVID-19 cohort study is used. This study is a follow up study of an annual survey conducted by TNO and Statistics Netherlands among a representative group of workers in the Netherlands (the Netherlands Working Conditions Survey (NWCS). For the NWCS-COVID-19, a group of participants of the NWCS 2019 was approached again in June 2020, October 2020 and March 2021. 8,911 respondents provided data in all four waves. Results: The results show both improvements and deteriorations of working conditions and health and wellbeing. For example: compared to the pre-pandemic period respondents reported more sedentary behaviour. Workers with young children struggled with work-life balance during the first wave. Homeworkers report a good health and less MSD’s than before the crisis. Work related stress did not increase. Some groups, however, do feel lonely and miss connection with work. Conclusions: The expectation is that home working will be more common in the future than before the pandemic. In organizing this hybrid way of working, we must ensure that positive effects of home working are maintained and negative ones are minimized.
TNO en het CBS monitoren jaarlijks de arbeidssituatie van werkenden in Nederland door middel van de Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden (NEA). De NEA is een jaarlijkse meting bij een nieuwe groep representatieve werknemers in Nederland. De NEA volgt veranderingen in het werk en de werkomstandigheden van Nederlanders en de gevolgen ervan voor de gezondheid en duurzame inzetbaarheid van werknemers, alsook hun productiviteit en innovatiekracht. In 2020 is het werkende leven voor veel Nederlandse werknemers door de plotselinge opkomst van COVID-19 veranderd. Het kabinet was genoodzaakt om een pakket van maatregelen te nemen en aan te passen (versoepelen of verzwaren). Deze maatregelen hadden ook directe consequenties voor de Nederlandse beroepsbevolking. Er zijn werkenden die grotendeels thuis zijn gaan werken, mensen die op locatie zijn blijven werken met daarbij een verhoogde kans op een besmetting en mensen die (tijdelijk) geen werkzaamheden of werk hebben.
Samenvatting De COVID-19-pandemie en de daarmee getroffen maatregelen zorgden in maart 2020 direct voor grote veranderingen. Er zijn signalen dat deze veranderingen een negatief effect hebben op het welbevinden. Sommige onderzoeken spreken dit echter tegen, met name die onder de werkende bevolking. Mogelijk pakt de pandemie voor sommige groepen juist gunstig uit en voor andere groepen minder, waardoor het totaalbeeld vertekend wordt. In dit onderzoek focussen we ons op drie beroepsgroepen waarvan bekend is dat de COVID-19-pandemie en bijbehorende maatregelen direct een effect hebben op hun werktaken en hoeveelheid werkzaamheden: zorgpersoneel, onderwijspersoneel en verkopers. Met behulp van GEE-analyses onderzoeken we of er sprake is van een significante afname in welbevinden en een verandering in werkfactoren en in hoeverre de werkfactoren gerelateerd zijn aan het welbevinden. Uit de resultaten blijkt dat er slechts op beperkte schaal sprake is van een afname in welbevinden. Er wordt alleen een verslechtering in burn-outklachten gezien bij zorgpersoneel en verkopers. Werkfactoren laten vooral een verandering in gunstige richting zien, met uitzondering van autonomie. Die is in al de onderzochte groepen gedaald. Hoewel we wel een relatie vonden tussen de onderzochte werkfactoren en burn-outklachten, kunnen we de ontwikkelingen in het welbevinden niet verklaren door de verandering in werkfactoren.
De Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden (NEA) van TNO en CBS is een van de grootste periodieke onderzoeken naar de werksituatie van werknemers in Nederland bekeken door de ogen van werknemers. Door de grote steekproef kunnen niet alleen trends in de arbeid beschreven worden voor de gehele Nederlandse werknemerspopulatie, maar ook voor deelpopulaties. Daarnaast zijn de NEA data geschikt voor het leggen van relaties tussen variabelen. Middels koppeling van de NEA aan registratiedata kunnen daarbij ook andere gegevens aan de NEA data worden toegevoegd of werknemers in de tijd worden gevolgd. Via de benchmarktool van TNO op www.monitorarbeid.nl en via StatLine kunnen de NEA-gegevens naar diverse, gedetailleerde indelingen worden uitgesplitst. In dit hoofdstuk tonen we de eerste resultaten van de NEA 2020. Hoofdstuk 2 beschrijft verdere analysemogelijkheden en punten waarmee rekening gehouden moet worden bij de interpretatie van de uitkomsten. Daarbij wordt ook ingegaan op de context van de COVID-19 pandemie.
De COVID-19 pandemie veranderde in 2020 het werkende leven van nagenoeg iedere werkende in Nederland. Dit rapport beschrijft die veranderingen. Daarbij wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de 2e meting van het NEA-COVID-19 onderzoek dat in november 2020 – ten tijde van de tweede golf – is uitgevoerd onder werknemers die eind 2019 aan de Nationale Enquete Arbeidsomstandigheden (NEA) hebben deelgenomen. Het rapport is een vervolg op het rapport dat de stand van zaken medio 2020 beschrijft en brengt de veranderingen van de werknemers die aan de NEA 2019 hebben deelgenomen in kaart tussen eind 2019, medio 2020 en eind 2020.
The COVID-19 pandemic and associated measures immediately caused major changes in March 2020. There are signs that these changes have a negative effect on well-being. However, some studies contradict this, particularly those among the working population. The pandemic may actually turn out favorably for some groups, distorting the overall picture. In this study, we focus on three professions in which the COVID-19 pandemic and associated measures are known to have a direct effect on their work tasks and amount of work: healthcare workers, teachers and sales workers. Using GEE analyzes, we investigated whether there is a significant decrease in well-being and a change in working conditions and to what extent the working conditions are related to well-being. The results showed that there is only a limited decrease in well-being. Only for burn- out complaints, a deterioration was found among healthcare staff and sales people. Working conditions mainly showed a favorable change in all professions, except for autonomy. Autonomy decreased in all professions. Although we did find a relationship between the examined working conditions and burn-out complaints, we cannot explain the developments in well- being by the change in working conditions.
In deze bijdrage zijn de arbeidsomstandigheden en de gezondheid van thuiswerkers na de eerste golf van de COVID-19-pandemie vergeleken met de situatie eind 2019, en is onderzocht of veranderingen verschillen naar geslacht, leeftijd en zorg voor (jonge) kinderen. Om deze verschillen te toetsen is er gebruikgemaakt van McNemar en paired T-tests, almede een combinatie van T-tests en gewogen deviatiecontrasten. Uit de resultaten blijkt geen eenduidige algemene verbetering of achteruitgang in de arbeidsomstandigheden of de gezondheid van thuiswerkers. Wel zien we dat respondenten in coronatijd meer zijn gaan overwerken en minder autonomie ervaren. Tevens zitten de respondenten op een dag meer dan voorheen en heeft de meerderheid geen beschikking over een ergonomische werkplek. Daarentegen zien we dat minder respondenten hoge taakeisen of emotioneel belastend werk ervaren, en dat de fysieke en algemene gezond- heid is verbeterd. De mate van burn-outklachten, werk-privédisbalans alsmede sociale steun verandert over het algemeen niet tussen metingen. Persoonskenmerken spelen een rol inzake een eventuele verandering in de arbeidsomstandigheden voor en na de eerste golf. Meer vrouwen en thuiswerkers met een flexibel contract ervaren burn-outklachten tijdens corona dan voorheen, terwijl het percentage mannen met burn-outklachten juist is afgenomen in coronatijd. Autonomie neemt tussen de twee metingen meer af bij vrouwen en respondenten met jonge kinderen. Ouders van jonge kinderen ervaren vaker een verslechtering van de werk-privédisbalans.
Objectives Working from home (WfH) is a promising practice that may enable employees to successfully and sustainably combine work and private life. Yet, not every employer facilitates WfH and not every employee has similar needs concerning the practice. The current study aims to examine the association of a WfH mismatch with work-home interference (WHI) and fatigue. Methods Data on WfH, WHI, and fatigue of a quasi-representative sample of 2374 Dutch employees in 2012/13 and a follow-up measurement one year later were used. Cross-sectional and longitudinal regression analyses were conducted to investigate the cross-sectional and temporal associations between WfH mismatch on the one hand and (changes in) time-based and strain-based WHI and fatigue on the other hand. Results In the cross-sectional analyses, WfH mismatch was significantly associated with higher time-based WHI (B=0.13), strain-based WHI (B=0.17) and more fatigue (B=0.32). WfH mismatch was not associated with changes in these outcomes after one year of follow-up. Conclusions A tailored WfH organizational policy, in which employees' need for working from home is taken into account, may be a fruitful approach to utilize WfH as a way for employees to successfully and sustainably combine work and private life to its full potential.
Om de effecten en gevolgen van de COVID-19 crisis op het werk inzichtelijk te krijgen, is de NEA-COVID-19 meting uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is om een nauwkeuriger beeld van de arbeidssituatie van 2020 te krijgen, ook in vergelijking met de situatie van 2019. De gevolgen voor werkenden op het gebied van arbeidsomstandigheden, welzijn op het werk, gezondheid en specifieke indicatoren tijdens de COVID-19 pandemie (waaronder blootstellingsrisico’s, maatregelen vanuit werkgever en werknemers) kunnen dan nauwkeurig in kaart gebracht worden. We onderscheiden hierbij drie soorten doelgroepen, namelijk werknemers die op locatie (van de werkgever of klant) zijn blijven werken, werknemers die (deels) thuis zijn gaan werken en deelnemers die (tijdelijk) geen werk of geen werkzaamheden hebben.
In Nederland is burn-out onder jongeren hoog en aan het toenemen. In dit artikel onderzoeken we of en hoe de hoge kans op burn-outklachten is gerelateerd aan de flexibele arbeidsmarkt. We argumenteren dat een onzeker loopbaanperspectief de kans op burn-outklachten vergroot. We verwachten dat jongeren eerder en meer onzekerheid over hun baan zullen ervaren in hun carrièrebaan dan in hun studentenbaan, en meer in flexibele carrièrebanen dan in vaste carrièrebanen. We testen deze verwachtingen op jongeren uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2016. De modellen laten zien dat subjectieve baanonzekerheid de kans op burn-outklachten vergroot, en dat de kans op burn-outklachten groter is in carrièrebanen dan in studentenbanen. We vinden dat jongeren in flexibele carrièrebanen vaker burn-outklachten hebben dan jongeren in vaste carrièrebanen. De kans op burn-outklachten is groter in flexibele dan in vaste carrièrebanen, ondanks dat in de vaste carrièrebanen de taakeisen en de emotionele belasting hoger zijn. De analyses tonen dat baanonzekerheid in carrièrebanen een belangrijke bron voor de burn-outklachten van jongeren is.
Nederland is in ontwikkeling. Onder invloed van globalisering, een stijgende levens verwachting en technologisering verandert onze demografie en onze arbeidsmarkt. Ook het karakter van werk verandert sterk in de komende decennia. Flexibilisering, de komst van nieuwe technologie en intensivering van het werk zijn hierin leidend, aldus de WRR in het rapport ‘Het betere werk’. Deze bevindingen kunnen wij vanuit onze expertise onderschrijven. De verwachtingen en uitdagingen ten aanzien van werk veranderen mee. We worden ouder, en meer mensen zullen langer moeten of willen doorwerken. Het aandeel werkenden met een chronische aandoening zal daarbij toenemen. Daarnaast is de rol van werk in ons bestaan veranderd sinds het vorige millennium. Waar in de tijd van onze grootouders het werk veelal enkel dagbesteding om in levensonderhoud te voorzien was, zonder mogelijkheden voor groei, scholing, of een tweede-spoortraject, is dat nu wel anders. Tegenwoordig spreken we van werk als onderdeel van je identiteit. De verwachtingen ten aanzien van werk liggen logischerwijs hoger. Het werk moet betekenisvol en lonend zijn. De huidige generatie werkenden wil zingeving ervaren en de rol van werk (beter) combineren met priverollen als gezin, mantelzorg en hobby’s. Dat deze ontwikkelingen positieve wederkerige effecten hebben op gezondheid en inzetbaarheid, wordt steeds vaker onderkend, ook door werkgevers. Het is anno 2020 tevens normaler geworden om op latere leeftijd een opleiding te volgen of je halverwege het werkende leven te orienteren op een nieuwe sector. Die trend zal in de toekomst verder versterkt worden. Ook de belasting van werk is al een tijdlang aan het verschuiven van het fysieke naar het mentale vlak, met alle nieuwe uitdagingen op arbogebied van dien. Oftewel, er is genoeg stof tot nadenken over de toekomst. Daarbij moeten we andere maatschappelijke ontwikkelingen, die op het eerste gezicht verder van het werk afstaan, niet vergeten. De invloed van de klimaatontwikkelingen en als gevolg, de energietransitie, zijn nu al voelbaar in beleid en werkzaamheden in sectoren zoals de bouw en logistiek. Ook die ontwikkelingen zullen een steeds groter effect op de aard van het werk hebben. Meer aandacht voor arbeids(markt)discriminatie, diversiteitsbeleid en sociale veiligheid laten hun positieve invloed naar verwachting de komende jaren ook gelden. De toename van het maatschappelijk bewustzijn op deze gebieden creeert kansen en bovenal momentum om hervormingen door te voeren. Als we dit momentum op de juiste wijze benutten, is een veilig en gezond werkend Nederland in 2040 een haalbare droom. Met onze reactie op de Startnotitie Arbovisie 2040 willen we hieraan bijdragen. We delen bij elk van de zes thema’s onze visie en sluiten af met onze belangrijkste conclusies.
In onderstaande tabellen wordt de NEA 2018 uitgesplitst voor het primair onderwijs. Op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de reguliere NEA steekproef uitgebreid, zodat in de subsectoren ‘primair en speciaal onderwijs’ en ‘algemeen vormend voortgezet onderwijs’ naar verwachting 4.000 bruikbare responsen zouden worden gerealiseerd. Deze respons is gehaald, de NEA 2018 omvat de data van 62.602 personen, waarvan 4.391 uit het primair onderwijs en 4.229 in het voortgezet onderwijs. Door weging wordt de NEA representatief gemaakt voor de Nederlandse populatie1. In onderstaande tabellen worden drie vergelijkingen gemaakt: › Primair onderwijs met als referentie Nederland totaal. › Primair onderwijs met als referentie Onderwijs totaal. › Verschillende functies binnen het primair onderwijs.
The smartphone can be used for two context-incongruent purposes (work-related use at home and private use at work). In order to better understand these two behaviors conceptually, we aimed to (1) identify subgroups of context-incongruent smartphone users and (2) identify differences in demographic, smartphone-related, and occupational health-related characteristics among the identified subgroups. We conducted an exploratory and data-driven latent class analysis of work-related smartphone use at home and private smartphone use at work (self-reported) in a large cross-sectional sample of Dutch fulltime employees (n=1544). Our analysis revealed that most employees engage in context-incongruent smartphone use and identified four smartphone user classes. Comparisons of frequent and infrequent context-incongruent smartphone users revealed several interesting insights regarding demographic (e.g., frequent users were younger, more likely to be married or in a relationship, and less likely to work from their employer's site), smartphone-related (e.g., frequent users were more likely to be provided a smartphone by their employer, attached more importance to their work-related and private smartphone interactions, and reported higher fear of missing out), and occupational health-related (e.g., frequent users reported only slightly higher job demands, job control, and work-home interference, but at the same time lower segmentation preferences and psychological detachment) characteristics. These findings provide insight into the wide-spread occurrence of context-incongruent smartphone use and could help to develop theory on and understand the outcomes of these modern behaviors. They could also help organizations to better understand their employees' behavior, which is a crucial first step in policy development.
1 op de 10 werknemers heeft regelmatig moeite met het combineren van werk en prive. Bij werknemers tussen 25-44 jaar met een kind tot 4 jaar (de zogeheten 'jonge ouders') geldt dat voor 1 op de 8. Vakmedianet
Toch liggen zowel de feitelijke pensioenleeftijd (64,4 jaar) als de leeftijd tot waarop werknemers van 45+ door willen werken (64,3 jaar) of denken te kunnen werken (64,5 jaar) nog altijd lager dan de huidige AOW-leeftijd.Vakmedianet
Het langer doorwerken na de AOW komt steeds vaker voor hoewel het aantal werkende AOW'ers nog gering is. De versobering van pensioenen lijkt hier een belangrijke oorzaak te zijn volgens onderzoekers van ROA and TNO. Het zijn vooral de lage- en hoge inkomensgroepen die doorwerken. Werkenden met een laag inkomen doen dit vooral uit financiele noodzaak. Hoewel er vaak wordt gesproken over verdringing op de arbeidsmarkt door doorwerkende AOW'ers vinden de onderzoekers geen bewijs voor deze stelling.