The abundance of information on social media, partly conflicting with government information, might negatively affect citizens’ compliance with policies. Based on Dutch representative survey data from the COVID-19 pandemic, we find that citizens who ranked social media as a more important information resource were generally less compliant with COVID-19 measures and less willing to get vaccinated. A higher ranking of social media is more strongly associated with non-compliance among citizens with lower levels of institutional trust. Based on these findings, we suggest that efforts to encourage compliance should focus not only on countering misinformation, but also on enhancing institutional trust. Points for practitioners Citizens who ranked social media as a more important information resource on COVID-19 were less compliant with government COVID-19 measures and less willing to get vaccinated. This relationship was strongest among citizens with low levels of trust in the institutions of government involved in managing the pandemic. To enhance compliance with policy measures, government efforts should focus not only on countering misinformation, but also on enhancing trust in government institutions.
The corona pandemic has a huge impact on the mental wellbeing of the Dutch population. Based on a large-scale panel survey ( N = 22,696) on the social impact of COVID-19, this article firstly examines which social groups are most susceptible to the mental health consequences of the pandemic. Secondly, we examine whether social capital provides protection against this impact. We find that the mental health impact of COVID-19 is considerable and that it increased over the course of 2020. Women, young people, respondents with low incomes and/or poor self-perceived health, experience relatively more fear and stress due to the pandemic. We do not find a difference between respondents with or without a migration background. Social capital (received support, trust in people and in institutions) has the expected effect: the more support and trust, the less fear and stress. There is a mediation effect. Older people, respondents with high incomes and/or good health experience less fear and stress, partly because they have more social capital. This is different for females. They would experience even more fear and stress, compared to men, were it not for the fact that they have more social capital. Hence we conclude that social capital indeed provides some protection against the negative mental health consequences of COVID-19.
Social capital as protection against the mental impact of COVID-19 The corona pandemic has a huge impact on the mental wellbeing of the Dutch population. This article, based on a large-scale internet survey (N = 22,696) on the social impact of COVID-19, firstly examines which social groups are most susceptible to the mental health impact of the virus. Secondly, we examine whether social capital provides protection against this impact. We find that the mental health impact of COVID-19 is considerable and that it increased over the course of 2020. Women, young people, respondents with low incomes and/or poor health experience relatively more fear and stress due to the virus. We do not find a difference between respondents with or without a migration background. Social capital (received support, trust in people and in institutions) has the expected effect: the more support and trust, the less fear and stress. There is a mediation effect. Older people, respondents with high incomes and/or good health experience less fear and stress, partly because they have more social capital. This is different for females. They would experience even more fear and stress, compared to men, were it not for the fact that they have more social capital. Hence we conclude that social capital indeed provides some protection against the negative mental health effects of COVID-19.
Dit rapport behandelt de maatschappelijke impact van COVID-19 op de stad Rotterdam waarbij ook vergelijkingen worden gemaakt met landelijke gegevens. Het is gebaseerd op gegevens die in de periode 3 april 2020-13 april 2020, kort na de lockdown, zijn verzameld. Daarbij wordt aandacht besteed aan de sociaaleconomische, sociaalpsychologische en sociale gevolgen van COVID-19. Het gaat om een eerste meting. Het is de bedoeling om de maatschappelijke impact in de tijd te volgen zodat nader inzicht kan worden verkregen in thema’s als werk- en inkomensverlies, zorgmijding, angsten en stress, onderlinge solidariteit, sociale verhoudingen in buurten, vertrouwen van bewoners in elkaar, gezondheidszorg en overheid. Het is van belang om deze inzichten mee te nemen bij de afschaling van maatregelen die in de komende periode vorm gaat krijgen.
COVID-19 heeft een grote impact op de Nederlandse samenleving, niet alleen op de volksgezondheid, maar ook op de economie, de onderlinge relaties tussen mensen, de verhouding tussen burgers en overheden, en op het mentaal welbevinden van mensen. In april 2020 zijn we begonnen om de impact van COVID-19 in kaart te brengen voor de steden Rotterdam, Den Haag en landelijk. In de eerste helft van juli 2020 herhaalden wij dit onderzoek, waarbij we ook verslag deden over Amsterdam. De tweede studie had de hoopvolle titel De heropening van de samenleving. Maar aan die heropening kwam vrij snel een einde toen een tweede coronagolf zich aandiende. In dit rapport doen we verslag van een derde meting afgenomen in november 2020, waaraan opnieuw Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hebben deelgenomen, en waarbij ook landelijk gegevens zijn verzameld. Daaruit blijkt onder andere dat angst voor baanverlies weer is toegenomen en dat er sprake is van een afname van vertrouwen in overheden, het RIVM en de GGD’s. In dit rapport gaan we vooral in op veranderingen in maatschappelijke impact in de periode april 2020—november 2020. Daarnaast besteden we specifieke aandacht aan twee thema’s. Het eerste handelt over het mentaal welbevinden van burgers en de beschermende functie van sociaal kapitaal, in het bijzonder sociale steun. Het tweede thema gaat over de vraag welke groepen onvrede hebben met het coronabeleid van de overheid. De bevindingen wijzen op een verdeelde samenleving. Mensen met een slechte gezondheid, een laag inkomen, een lage opleiding, geringe werkzekerheid en een gering sociaal kapitaal worden meer getroffen door de negatieve mentale gevolgen van COVID-19 en hebben meer onvrede met het gevoerde beleid dan mensen met een sterkere maatschappelijke positie.
In april van dit jaar deden wij onderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van COVID-19 voor Nederlanders en meer specifiek Rotterdammers en Hagenaars. Die bleken aanzienlijk. Velen waren bang voor baan- of inkomensverlies en zagen COVID-19 als een bedreiging voor zichzelf, hun vrienden en familie, hun stad en voor heel Nederland. Twee maanden later, in de eerste helft van juli 2020, deden we opnieuw onderzoek naar de gevolgen van het coronavirus voor Nederlanders, waarbij we behalve over Rotterdam en Den Haag nu ook verslag doen over hoe Amsterdammers de gevolgen van het virus ervaren. De context waarin de tweede meting plaatsvond was heel anders dan die van deeerste meting. Begin juli nam het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames snel af en de overheid versoepelde de maatregelen die eerder getroffen waren om de verspreiding van het virus tegen te gaan. De vraag is hoe Nederlanders de gevolgen van COVID-19 in deze veranderde context ervaren. Dit onderzoek laat zien dat de coronacrisis ook in juli 2020 grote maatschappelijke impact had. Meer dan een derde van alle respondenten is bang voor verlies aan inkomen of lijdt dat al. Ruim een kwart van de werknemers onder de respondenten is bang voor baanverlies. Een kwart van de bevolking vreest zelf COVID-19 op te lopen en bijna de helft vreest dat voor zijn of haar familie. Een vergelijking van uitkomsten met de vorige meting laat ook bemoedigende resultaten zien, bijvoorbeeld op het terrein van zorg. Opmerkelijke uitkomst bij eerste meting was dat veel mensen zorg meden. Dit aandeel is twee maanden later aanzienlijk gedaald. Na de afronding van de dataverzameling rond half juli is het aantal besmettingen in de vier weken daarna weer opgelopen. De lossere gedragsvormen zijn daar mede debet aan. In deze studie signaleren we ook dat het risicomijdend gedrag begin juli lager lag dan in april. Tegelijkertijd nuanceren we de beeldvorming dat een groot deel van de Nederlanders de gedragsregels in de wind slaat. We laten ook zien dat vertrouwen in overheden en gezondheidsinstanties wat is afgenomen, maar nog steeds van een hoog niveau is. Uit ons onderzoek blijkt dat er nog steeds een grote vertrouwensbasis voor overheden en gezondheidsinstituties is, maar een afkalvende vertrouwensbasis kan het draagvlak voor noodzakelijke coronamatregelen in gevaar brengen. Na half juli is het vertrouwen in overheden en instellingen als RIVM en GGD meer onder druk komen te staan door een groeiende kritiek op de inhoudelijke adviezen van het RIVM, de communicatie door de overheid, en op het vermogen van GGD’s om snel coronatesten uit te voeren en adequaat ‘contact tracing’ te doen. In volgende metingen gaan we hier nader op in.
Negatieve impact van COVID-19 is weer toegenomen: toename angst en stress, afname vertrouwen in overheid, RIVM en GGD. Tijdens het voorlopige hoogtepunt van de corona-uitbraak, in april, bleek dat een groot deel van de Nederlandse bevolking angstig en onzeker was. Bij de heropening van de samenleving begin juli was de angst en onzekerheid afgenomen, maar dat heeft zich niet doorgezet. Dit blijkt uit de bevindingen van het vervolgonderzoek De verdeelde samenleving. Er is weer sprake van een toename van angst- en stressgevoelens en een verdere afname in het vertrouwen in de overheid, het RIVM en de GGD. Jongeren en mensen met kwetsbare maatschappelijke posities, zoals een laag inkomen, een lage opleiding, geringe werkzekerheid, en een beperkt ondersteunend netwerk, hebben relatief meer onvrede over het overheidsbeleid dan groepen met een sterkere maatschappelijke positie en een sterker ondersteunend netwerk. Een verdeelde samenleving dus. Uit deze derde landelijke steekproef met 25.185 respondenten, waarbij ook gekeken is naar de situatie in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, blijkt dat een op de drie respondenten meent dat de coronamaatregelen meer schade veroorzaken dan zij proberen te voorkomen en dat de overheid onvoldoende rekening houdt met de economische en sociale gevolgen van de coronamaatregelen. In het rapport De verdeelde samenleving worden veranderingen in de maatschappelijk impact in de periode april 2020-november 2020 in kaart gebracht. Daarbij wordt aandacht besteed aan gevolgen voor werk en inkomen, zorgmijding en zorggebruik; omgaan met risico’s, angst en stress; solidariteit en onderlinge hulp; sociale verhoudingen in de buurt; en vertrouwen in instituties, media en mensen. En is er gekeken naar verschillen tussen steden en groepen mensen. De dataverzameling door Kieskompas heeft in november plaatsgevonden. Uitgever: Kenniswerkplaats Leefbare Wijken & Erasmus School of Social and Behavioural Sciences
In april 2020 deden wij onderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van COVID-19 voor Nederlanders, Rotterdammers en Hagenaars. Daaruit kwam naar voren dat veel burgers bang waren voor baan- of inkomensverlies en dat ze COVID-19 als een bedreiging zagen voor zichzelf, hun vrienden en familie, hun stad en voor heel Nederland. Tegelijkertijd signaleerden we ook opbloeiende onderlinge solidariteit, bijvoorbeeld tot uiting komend in toegenomen hulp aan familieleden en buren. In de voorbije maanden heeft, vooral na 1 juli, een heropening plaatsgevonden van de Nederlandse samenleving. Het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames nam begin juli snel af en een groot deel van de coronamaatregelen die sinds half maart van kracht waren, zijn versoepeld of niet meer van toepassing. De vraag is hoe Nederlanders de gevolgen van COVID-19 in deze veranderde context ervaren. In de eerste helft van juli 2020 deden we opnieuw onderzoek naar de gevolgen van het coronavirus voor Nederlanders, waarbij we behalve over Rotterdam en Den Haag nu ook verslag doen over Amsterdam. Daarbij kijken we opnieuw naar thema's als werk- en inkomensverlies, zorgmijding, angst en stress, onderlinge solidariteit, sociale verhoudingen in buurten en vertrouwen van bewoners in elkaar, gezondheidszorg en overheid. Uitgever: Kenniswerkplaats Leefbare Wijken & Erasmus School of Social and Behavioural Sciences
Contrary to natural born citizens, migrants can have a variety of legal statuses depending on how they are classified by immigration law. Together, such legal or 'civic' statuses constitute a system of civic stratification, from high (privileged) to low (restricted). Recent scholarship highlights the relevance of immigration law for understanding crime patterns. We analytically synthesize this literature and extend it empirically by examining its usefulness in explaining the relationship between asylum migrants' civic statuses in The Netherlands and their chances of being registered as a crime suspect. Logistic regression analyses were conducted using a unique dataset in which comprehensive administrative data from various governmental sources were combined. Four civic status groups were compared: naturalized citizens, residence permit holders, asylum seekers in the procedure, and former asylum seekers whose stay in the country had become unauthorized. The results suggest that strain theory and more constructionist stances are required in order to understand the complex relationship between civic stratification and crime. We discuss implications for other countries.
Despite the extensive literature on educational innovations, there is only limited empirical research available into the impact of innovations on student achievement. In this article, the following research questions will be answered: What form do innovations in secondary education take, are there types of innovative schools, and what effect do these innovations have on school quality and student careers? The findings show that types of innovative schools differ significantly on quality assessments aspects of the Inspectorate of Education, quality of “time,” and of the “teaching-learning process.” Furthermore, the school output data showed that in the lower education tracks the more innovative schools obtain good results with their students, whereas in the higher education tracks the less innovative schools perform significantly better.
This article presents findings of research into the quality control (QC) of schools from 2001-2006. In 2001 several targets for QC were set and the progress of 939 primary schools is presented. Furthermore, using cluster analysis, schools are classified into four QC-types that differ in their focus on school (self) evaluation and school improvement. Accordingly, the progress of those four types of quality control from 2001 to 2006 is shown. Next, regression analyses have been conducted to find predictors of school progress in QC. Finally, attitudes of schools towards external quality control will be discussed.
Het vraagstuk van asielmigratie staat al jaren hoog op de politiek-maatschappelijke agenda. De mate van betrokkenheid van asielzoekers bij criminaliteit is onderwerp van een beladen discussie die desondanks, of wellicht juist daardoor, een degelijke empirische onderbouwing mist. Dat betreft eerst en vooral een betrouwbaar cijfermatig inzicht in de betrokkenheid van asielzoekers bij criminaliteit. Dat kan vervolgens als opmaat dienen voor nader onderzoek naar achterliggende verklaringen, oorzaken en omstandigheden. Voor Politie en Wetenschap was het aanleiding voor een meeromvattend drieluik naar zowel de aard en omvang als de achtergronden van betrokkenheid bij criminaliteit van drie groepen asielzoekers: asielzoekers in procedure, (ex-)asielzoekers die een formele status hebben verworven en 'illegalen': asielzoekers wier asielaanvraag is afgewezen. Dit deel van het drieluik geeft een overzicht van de aard en omvang van de criminaliteit onder in Nederland verblijvende asielmigranten (waaronder afgewezen asielzoekers, toegelaten asielzoekers en asielzoekers in de procedure). De studie is gebaseerd op de registraties van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de politie voor de periode 1995-2004. De onderzoekers geven niet alleen een gedegen cijfermatige beschrijving van de aangetroffen criminaliteitspatronen, maar gaan ook in op de vraag in hoeverre de verblijfsstatus van invloed is op betrokkenheid bij misdaad.
For a long time in-work poverty was not associated with European welfare states. Recently, the topic has gained relevance as welfare state retrenchment and international competition in globalized economies has put increasing pressures on individuals and families. This book provides explanations as to why in-work poverty is high in certain countries and low in others.
textabstractIn de voorbije jaren zijn politici en bestuurders met grote regelmaat aangemoedigd om ‘de wijk’ in te gaan. De idee was dat politici en bestuurders de alledaagse problemen in arme, vaak multiculturele wijken te lang hadden genegeerd, met grote politieke gevolgen voor het lokale en nationale politieke landschap in Nederland. Toch is die ‘wijkgedachte’ geen recent gegeven. Al meer dan vijftig jaar kent Nederland een sterke fascinatie voor de wijk als aangrijpingspunt voor integratiebeleid (vgl. Burgers, 1976; Duyvendak, 2006). Dat gold meer dan vijftig jaar geleden toen deskundigen discussieerden over de moderne stadswijk als integratiekader en dat geldt vandaag de dag wanneer politici en bestuurders hun zorgen uiten over slechte situatie in een groot aantal stadswijken. Het project ‘Nieuwe Coalities voor de Wijk’ past in deze Nederlandse traditie van aandacht voor de wijk. Toch is de situatie afwijkend van de jaren veertig en vijftig. Toen ging het vooral over de belofte van de toekomst, nu staat vooral de hardnekkigheid van diverse sociale problemen centraal. Deels gaat het om klassieke vraagstukken van onderwijsachterstand, werkloosheid en een slechte woningvoorraad, deels om nieuwe vraagstukken van integratie. Het relatief homogene, industriele Nederland van de jaren vijftig is een heterogene, postindustriele samenleving geworden. De overzichtelijke samenleving van de jaren vijftig is verdwenen en dat heeft grote gevolgen gehad voor de sociale structuur en sociale problemen van wijken. 1.2 Nederland verandert In de afgelopen decennia zijn de internationale migratiebewegingen naar Nederland van karakter veranderd. Na de Tweede Wereldoorlog was aanvankelijk sprake van een relatief overzichtelijke migratie richting Nederland.
International migration processes have drastically changed the face of Dutch society. Following changes in migration patterns, the research on migrants and crime is developing into two distinct lines of research. The postcolonial guest worker migrations from the 1950s and 1960s and subsequent family reunification led to attention to problems of crime among second-generation youngsters. More recently, asylum migration (peaking in the 1990s) and irregular migration generated problems of crime among first-generation asylum seekers and immigrants without a residence status. These groups are much more fragmented than the preceding immigrant groups, and their societal position is even more vulnerable. Findings in both fields make clear that research on immigrants and crime should take into account the changing contexts of reception and incorporation. The role of the state has become crucial in understanding some of the patterns found.
This is the sixth Dutch SOPEMI report compiled by a group of Rotterdam researchers associated with Ercomer-Rotterdam and the Rotterdam Institute for Social Policy Research (RISBO). This report was commissioned by the Dutch Ministry of Justice and the Dutch Ministry of Social Affairs and Employment. In the Netherlands the Ministry of Justice is responsible for both migration policies and immigrant integration.
In Nederland bevinden zich ‘illegale vreemdelingen’, d.w.z. mensen die geen geldige verblijfstitel in Nederland hebben. Een deel van hen heeft in het verleden een geldige verblijfsvergunning gehad, van een deel is het asielverzoek afgewezen en een deel is zonder geldige verblijfstitel binnengekomen. De onbekendheid van/ met deze groep en de marginale positie ervan werken speculaties in de hand over criminaliteit door illegalen. Ook wordt een relatie verondersteld tussen illegale binnenkomst en mensensmokkel. Voor de kwantitatieve analyse is gebruik gemaakt van politieregistraties van illegale vreemdelingen die werden staandegehouden in de periode 1997-2000. De gegevens werden aangeleverd door de 25 politieregio’s en zijn de beste beschikbare bron. Deze cijfers zijn ook de basis voor de schatting van het totaal aantal illegale vreemdelingen in Nederland. Voor het kwalitatief onderzoek werd gesproken met 156 illegale vreemdelingen uit acht belangrijke herkomstlanden van arbeids- en/ of asielmigranten: China, Iran, Marokko, Somalie, Sri Lanka, Turkije, voormalig Joegoslavie en voormalige Sovjet Unie. Nieuwe groepen illegale vreemdelingen, die niet kunnen terugvallen op legale landgenoten in Nederland, verkeren in een zeer kwetsbare positie op de huisvestings- en arbeidsmarkt. Zij lijken daardoor vatbaarder voor vormen van ‘overlevingscriminaliteit’. In deze studie worden geen definitieve gegevens gepresenteerd omtrent aard en omvang van illegale vreemdelingen in Nederland. Wel vindt men onderbouwde schattingen over aantallen illegale vreemdelingen, evenals relevante gegevens over de problematiek van uitzetting en over het vraagstuk van illegaliteit en criminaliteit. Ook worden kwalitatieve analyses gegeven van strategien van overkomst en verblijf.