The International Long Term Ecological Research (ILTER) Network is a global network of sites arrayed in many ecosystems and countries that aims to address international ecological and socio-economic problems through collaborative research. To facilitate ILTER data discovery, access, and synthesis, a strategy for adopting common information management standards throughout the ILTER has been developed. The strategy proposes that ILTER use the Ecological Metadata Language (EML) standard in the short-term to establish a network-wide metadata catalog, while in the long-term ILTER should pursue the goal of an ontology-based information management system. This paper presents examples of the information management systems currently in use in the ILTER that are EML-based or based on a country-specific standard, and discusses possible mechanisms for accommodating the many different languages used throughout the ILTER. The advantages of ontology-driven information management systems are illustrated with examples from the ILTER, and the approach ILTER will take to realizing such a system for the whole network is discussed.
1 Alterra – Wageningen University and Research Centre; The Netherlands 2 Bucharest University – Department of Systems Ecology; Rumania 3 Umweltbundesamt – Federal Environment Agency; Austria 4 Centre for Ecology and Hydrology; United Kingdom 5 Centre of Academic Sciences; Czech Republic 6 French National Institute for Agricultural Research – INRA; France 7 Research Institute for Nature and Forest – INBO; Belgium 8 Helmholtz Centre For Environmental Research – UFZ; Germany 9 University of Oulu; Finland 10 Institute of Ecology and Botany; Hungary 11 University of Jyväskylä; Finland 12 Institute of Landscape Ecology – Slovak Academy of Sciences; Slovakia 13 Finish Environmental Institute – SYKE; Finland
Agressie en de dreiging daarmee zijn in de klinische psychiatrie een groot probleem. Misschien zijn de omvang en reikwijdte ervan nog wel het beste te illustreren met een schets van hoe de GGz er zonder agressie uit zou zien. Zonder agressie zouden er geen gesloten afdeling en arbeidsintensieve separeercellen meer zijn, zou niemand meer assistentie hoeven te verlenen bij incidenten en zou dwang nauwelijks meer plaatsvinden. Verpleegkundigen zouden beduidend minder stress ervaren, minder vaak ziek zijn en minder snel van baan veranderen of burned-out raken. De teamvergaderingen zouden korter zijn en psychiaters zouden minder tijd kwijt zijn aan het invullen van middelen & maatregelenformulieren. De trainingen voor fysieke en verbale weerbaarheid zouden we kunnen afschaffen, er zou minder vernield worden en er zou geen geld meer nodig zijn voor videobewaking en alarmsystemen. Er zouden ook minder opnamen zijn, want veel opnamen in de kliniek vinden niet plaats vanwege de psychiatrische stoornis, maar doordat de patiënt zich thuis niet meer kan handhaven vanwege het gevaar dat hieruit voortvloeit, met name impulsregulatiestoornissen en suïcidaliteit (Hummelen e.a., 2003). Alle tijd en geld die vrijkomen, kunnen we besteden aan behandeling en zorg en het bevorderen van de kwaliteit daarvan.
In de GGZ is de nadruk in de behandeling en bejegening van patiënten verschoven van aanbod naar vraag. Waren het tot voor kort de bestaande mogelijkheden die de hulp bepaalden, nu gaat een hulpverlener met de patiënt op zoek naar de meest passende behandeling en begeleiding. Wettelijk heeft dit principe z'n beslag gekregen in de Wet op de Geneeskundige Behandel Overeenkomst. Deze ontwikkeling trekt een wissel op zowel instellingen als de hulpverleners in de GGZ. Enerzijds dwingt vraaggerichtheid hen om zich te bekwamen in nieuwe therapeutische strategieën. Immers, de klant is koning en mag vragen wat redelijk is, en dat hebben GGZ-instellingen en hulpverleners lang niet altijd in huis. Anderzijds veronderstelt een vraaggerichte benadering een andere attitude. Dat is op zich al niet simpel, maar het levert extra problemen op in regionen van de GGZ waar de vraag van de patiënt ambigue is. Want voor vraaggerichte zorg staan patiënten model die hun wensen consistent naar voren kunnen brengen en die in staat zijn om de opties voor behandeling in alle consequenties te doorzien. Voldoet een patiënt daar niet aan, dan zijn aanpassingen in de leer noodzakelijk. En dat is in de GGZ in reincultuur het geval in de verblijfssector. In De Geestgronden is de overgang van een aanbod- naar vraaggerichte zorg en attitude begeleid met onderzoek.
In deze bijdrage over grenzen in de GGZ wil ik ingaan op de toename van psychiatrische patiënten in gevangenissen en Huizen van Bewaring in relatie tot de afname van het aantal psychiatrische patiënten in een psychiatrische voorziening.
Gedwongen separatie is middeleeuws en barbaars! Dat berichtte ik in de rubriek Forum van dit blad (PsychoPraxis2001, 3: 146-147) naar aanleiding van een bijeenkomst van onderzoekers uit negen verschillende Europese landen. Op uitnodiging van de Noorse delegatie heb ik in augustus een werkbezoek gebracht aan de forensisch psychiatrische kliniek in het Sandviken Sykehus in Bergen en aan de lokale gevangenis aldaar. De aanleiding was de vraag of er een echt alternatief is voor gedwongen separatie. Hieronder volgt een verslag van mijn ervaringen.
Rond de dertig onderzoekers uit negen verschillende Europese landen beraden zich driemaal per jaar over onderzoek op het gebied van agressie in de psychiatrie. Afgelopen februari nam ik in Barcelona voor het eerst deel aan de conferentie van deze European Violence in Psychiatry Research Group . In mijn bijdrage legde ik aan de collega's uit dat mijn Nederlandse project zowel gericht is op het systematisch terugdringen van het gebruik van dwangmiddelen als van het aantal agressie-incidenten. Mijn ideeën kregen grote bijval en er werden zinnige vragen gesteld. Hierdoor gesterkt poneerde ik halverwege mijn verhaal de stelling dat toekomstig onderzoek naar agressie in de psychiatrie zich veel meer moet richten op de samenhang tussen agressie en dwangmiddelengebruik, willen we echte stappen voorwaarts maken. Ik toonde de aanwezigen ter illustratie het formulier voor de registratie van dwangmiddelen dat ik voor mijn project heb ontwikkeld. Daarop staan de in ons land gebruikte vormen van dwangtoepassing. Fixatie, toediening gedwongen medicatie en vocht en voeding kwamen iedereen bekend voor, maar separatie, eenzame opsluiting in een cel, zorgde onder de aanwezigen voor een golf van verontwaardiging. Een korte impressie van de woordenwisseling.
Paranoïdie wordt vaak omschreven als overdreven argwaan en achterdocht en het bij voortduring gespitst zijn op mogelijke bedreigingen. Sommige paranoïde personen leven als kluizenaars, anderen zwerven en zijn niet of nauwelijks te bereiken voor hulpverleners, weer anderen hebben veelvuldig en vooral vijandig contact met de mensen in hun omgeving. Sommige mensen met paranoïdie worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Daar levert hun gedrag voor teams vaak problemen op wat betreft de dagelijkse omgang met anderen en de tijdige signalering van een verdere ontregeling. Vooral de gevolgen ’ agressie en de dreiging die van deze mensen kan uitgaan ’ stellen teams voor grote problemen. Toch zijn tot nu toe opvallend weinig artikelen met concrete richtlijnen voor het handelen gepubliceerd. De richtlijnen die wij hier bespreken, zijn daarom vooral gebaseerd op de uitkomsten van gesprekken met paranoïde cliënten. In dit artikel staan we stil bij de paranoïde ervaring en komen van daaruit vervolgens tot concrete richtlijnen in de dagelijkse omgang met cliënten met deze stoornis. Deze richtlijnen hebben tot doel de kwaliteit van leven en werken te verbeteren.
In het septembernummer van PsychoPraxis publiceerde Bert Lendemeijer het artikel ‘Waarom separeren? De mening van verpleegkundigen’.