New LiDAR surveys revolutionize mapping of sites and structures beneath forests, In Flanders, this revealed preserved prehistoric and Roman cultural landscapes, Modern forest management threatens preservation of these archaeological features.
The large number of rural Roman settlements known from the Low Countries is generally characterised by a poor preservation of ecological proxies due to the absence of waterlogged contexts. The riverside site of Wijmeers (Wichelen, Belgium), a small rural settlement located in the Lower Scheldt basin, represents a rare exception to this pattern. Due to the presence of a waterlogged sequence with Roman (late 1st-3rd centuries AD) waste layers, located only a few metres from a main building structure, and the covering of the site with alluvial sediments shortly after its abandonment, the preservation condition of charred and uncharred organic materials was exceptional. The combined study of these proxies (pollen, seeds, charcoal, mollusc shells and animal bones) presents unique insights into the subsistence economy of a Roman rural household in the Lower Scheldt valley in general, and especially its exploitation of the valley and river environments. Besides this cultural-economical perspective, the site provides key information for understanding the chronology of fluvial and alluvial processes in the Lower Scheldt Basin for a large part of the Subatlantic period (Iron Age to Early Middle Ages, ca 800 BC-900 AD).
AbstractSince its earliest applications in the 1970s, geophysical survey has been applied increasingly in Belgian archaeology. This was particularly the case within Flanders over the past decade. Academic archaeological research has played a fundamental role in disseminating available techniques, such as electrical resistance and magnetometer survey, and in advancing the use of electromagnetic induction- and ground penetrating radar instruments for archaeological prospection specifically. However, the dissemination of this expertise remains in its infancy and adoption in Brussels and Wallonia lingers behind. Although Flanders has seen a strong increase in such surveys over the past decade, the share that geophysical techniques take up in development-led archaeology pales to significantly wider used invasive prospection methods. Both a lack of tradition in archaeological geophysics as well as the dominance of systematic trial trenching as a prospection method underlie this slow uptake of geophysical approaches in development-led archaeology. In contrast, geophysical survey does play a significant role in academic (landscape) archaeological research and in the investigation of archaeological sites for scheduling. Within this general situation, the use of geophysical methods in Belgium is geared primarily towards specific expected types of sites, but, within the heterogeneous geological landscape, spans a wide range of environments.While progress has been made continually over the past decade, much room remains for further optimisation of the use of geophysical methods in Belgian archaeology. Here, improving protocols for the integration of complementary, invasive and non-invasive, survey methods adapted to the diverse geological and archaeological circumstances remains a key challenge. To enable these advances, current efforts to provide such a methodological framework, along with existing expertise across the nation, have to be disseminated beyond academic circles through initiatives, such as dedicated (post-)academic training and inclusion of both archaeologists and archaeological geophysicists. Hereby, the consolidation of a robust legislative framework, adhering to EAC guidelines, is required for implementing geophysics in (development-led) archaeology sustainably, similar to e.g. trial trenching. This should safeguard the quality, archiving, accessibility, and interoperability of resultant data.
s met eindafwerking beschreven in 2.2, in 2022 opgeladen in het archeologieportaal 10 .Archeologierapporten werden in dit kader niet nagelezen aangezien deze documenten een voorafname zijn van het uiteindelijke eindverslag, waarbij voorlopig gepresenteerde resultaten en interpretaties na verdere studie nog inhoudelijk kunnen wijzigen.Dit rapport behandelt evenmin archeologienota's en nota's.De kenniswinst uit vooronderzoek is immers enkel voorlopig en zal bij projecten die tot een opgraving leiden uiteindelijk worden uitgediept in het eindverslag.Bij projecten die niet tot een opgraving leiden, blijft de kenniswinst uiteraard gering.
A recent exhaustive analysis of lithic assemblages from four wetland sites belonging to the 5th and early 4th millennium cal BC, all situated in the Lower-Scheldt basin of NW Belgium (East Flanders), has revealed the presence of numerous faceted tools. Unknown prior to the 5th millennium, these tools constitute a totally new type of tool within hunter-gatherer contexts of the Scheldt basin. Typologically, they seem to resemble similar tools found within Early Neolithic contexts in northern France and Belgium, suggesting some kind of connection between the last hunter-gatherers from the sandy lowlands and the first farmer-herders from the loess area. Within this paper, faceted tools from both communities will be presented and discussed in the light of the neolithization process of the Scheldt basin. For the first time, a large scale use-wear analysis was conducted on these artefacts.
Bij de opmaak van een toelatingsaanvraag of archeologienota wordt steeds de afweging gemaakt of een vooronderzoek op het terrein moet uitgevoerd worden.Dit kan uiteraard afhankelijk zijn van allerlei factoren, bijvoorbeeld de mate van verstoring van een projectgebied, de geomorfologische context, enz.Op die manier wordt steeds, voor alle archeologische periodes, een inschatting gemaakt van het potentieel van de aanwezigheid van archeologische sites, sporen en vondsten, en het 'kennispotentieel' hiervan bij het uitvoeren van verder onderzoek.Dit proces doorloopt verschillende stappen, gaande van een bureauonderzoek, naar een eventueel landschappelijk (bodem)onderzoek, tot prospectie met ingreep in de bodem.Dit laatste kan bestaan uit archeologisch booronderzoek en/of proefputten in functie van steentijdarcheologie, en proefsleuven en kijkvensters in functie van alle recentere perioden.Bij steentijdsites wordt de prospectie vaak opgedeeld in twee fasen: de eigenlijke prospectie en, indien deze positief is, waardering.De aanzet van een dergelijk traject is het bepalen van een 'verwachting' ten aanzien van de aanwezigheid van steentijdsites.De huidige praktijk wijkt hier immers af van vooronderzoek naar zogenaamde 'sporensites'.Bij deze laatsten wordt steeds geredeneerd vanuit de verwachting van de afwezigheid van een potentieel op kenniswinst: er wordt geen verder onderzoek verricht wanneer de vermoedelijke afwezigheid van een site met hoge waarschijnlijkheid kan aangetoond worden, of de potentiële kenniswinst ervan niet opweegt tegen de onderzoekskosten.Voor steentijd artefactensites is de redenering in de huidige praktijk doorgaans omgekeerd: er wordt meestal alleen een specifiek steentijdtraject opgestart wanneer de verwachting naar de aanwezigheid van sites met potentieel op kenniswinst hoog is.Het bepalen van die verwachting naar de aanwezigheid van steentijdsites is echter niet eenvoudig.Het samenspel tussen de archeologische en antropologische aspecten enerzijds, en de landschappelijke context anderzijds, biedt een zeer grote variatie aan mogelijke situaties.Een recent onderzoek naar de huidige praktijk terzake in de preventieve archeologie wees dan ook op een grote diversiteit in aanpak en gebruik van selectiecriteria 1 .Naast de problematiek van het onderzoek van prehistorische jagerverzamelaarsgemeenschappen en de specifieke economische, sociale, en culturele aspecten hieromtrent, speelt ook de (paleo)landschappelijke context een grote rol.De landschappen en bodems zijn sinds de prehistorie immers vaak ingrijpend veranderd.Daarom eist steentijdarcheologie een zeer specifieke expertise en ervaring.Een goed inzicht in de landschappelijke processen is daarbij heel belangrijk, enerzijds voor het 'lezen' van het landschap en de plaats van de prehistorische mens hierin, anderzijds voor het inschatten van de aard en impact van tafonomische processen op het bodemarchief (erosie, sedimentatie, bodemvorming, …).In dit afwegingskader komt dit aspect dan ook ruim aan bod, onderverdeeld naar de verschillende archeoregio's.Verder biedt dit afwegingskader een overzicht van de methoden die kunnen ingezet worden bij vooronderzoek naar steentijd artefactensites, geordend per onderzoeksfase.Booronderzoek komt hierbij ruim aan bod, maar ook de andere mogelijke technieken zoals profiel-en proefputten.De Code van Goede Praktijk (CGP) omschrijft de doelstellingen van deze onderzoeken en de middelen die er minimaal voor moeten aangewend worden.Hier vullen we dit aan met een inzicht in het waarom
This paper presents the results of laser ablation – inductively coupled plasma – mass spectrometry (LA-ICP-MS) analysis of the clay fraction in 70 Late Mesolithic and Early/Middle Neolithic pottery sherds from the Scheldt basin and 10 sampled sediments. The elemental concentration results were visualized using multivariate chemometric techniques and compared to the results of petrographic analysis of the same ceramics in order to investigate the complementarity of both approaches. In addition, the results for the pottery and sediments were compared for clay sourcing purposes. Overall, the elemental analysis was able to confirm part of the observations from the petrographic analysis. However, a large part of the ceramics chemical clustering was driven by heterogeneity in the elemental composition that does not stem from differences in the clay source used. Furthermore, no conclusions could be drawn on the use of the sampled sediments for pottery production. Therefore, it is concluded that LA-ICP-MS analysis of the clay fraction in pottery can complement petrography, but petrographic analysis remains indispensable for clay sourcing of pottery from northern Belgium.
Erwin Meylemans1.1 ALGEMEEN Van 18-04 tot 23-08-2012 werd in het kader van de ontwikkeling van een 'Gecontroleerd Overstromingsgebied' (GOG) een archeologische opgraving uitgevoerd in de 'Bergenmeersen' te Wichelen.In 2009 werd dit gebied bestudeerd middels archeologisch, paleolandschappelijk en cultuurhistorisch vooronderzoek.Dit toonde aan dat het gebied een zeer hoog archeologisch potentieel heeft, met vondsten en sites uit de prehistorie, Romeinse periode, vroege en volle middeleeuwen, en de nieuwe tijden 1 .Door wijzigingen aan de inrichting van de oorspronkelijke plannen van het gebied, met name het verleggen van een voorziene getijdengeul naar de plaats van de loop van de vroegere (laatglaciale) Schelde, kon potentiële erosie van een groot deel van deze sites worden voorkomen 2 .De loop van een noord-zuid gerichte andere getijdengeul kon echter niet worden aangepast.Deze geul loopt naar een zone waar het pleistoceen oppervlak niet of nauwelijks afgedekt is door holocene overstromingsafzettingen, waardoor deze zone gevoelig is voor erosie op langere termijn.Het cultuurhistorisch en archeologisch vooronderzoek wees in deze zone bovendien op de aanwezigheid van enerzijds een postmiddeleeuwse hoeve (het 'Hof ter Zeypen'), anderzijds van een middeleeuwse 'motte' 3 .We vatten deze resultaten kort samen verderop in dit rapport in hoofdstukken 1.3 en 1.4.In overleg met de erfgoedconsulenten van het agentschap Onroerend Erfgoed en de verantwoordelijken bij Waterwegen en Zeekanaal (nu 'Vlaamse Waterweg'), werd besloten deze beide zones (Bergenmeersen A en Bergenmeersen B: fig. 1) te onderwerpen aan een vlakdekkend archeologisch onderzoek.Dit rapport bevat de resultaten van dit onderzoek (hoofdstuk 2).De sporen en archeologische vondsten worden hier per zone behandeld (zone A: hoofdstuk 2.1; zone B: hoofdstuk 2.2).Het paleo-ecologisch onderzoek van beide zones werd gebundeld in een derde hoofdstuk (2.3).In de laatste hoofdstukken bieden we ten slotte een synthese, bespreking en conclusie van het onderzoek.
3"&5*0."$4* %(!6#.0#(7 !"#$%&'()&*(""*(+,"-%-'.$+,"( /-")&%$)-*0