Inleiding: Bij medische vervolgopleidingen staat het leren op de werkplek centraal. Er is nog weinig bekend over de manier waarop assistenten in opleiding tot specialist (aios) op de werkplek leren hun werkzaamheden uit te voeren. Bij de huisartsopleiding in Groningen is daarom onderzoek gedaan naar de leervormen die aios gebruiken bij het leren consultvoeren, hoe deze samenhangen en welke rol werk en flankerend onderwijs hierin spelen.
For over 30 years gynecological teaching associates have made a valuable contribution to undergraduate and postgraduate medical education, by allowing medical students to perform a pelvic examination on them. These women are skilled in giving detailed feedback to the medical students about their examination performance. In this study we describe a new training program: gynecological teaching associates act as simulated patients portraying a gynecological/sexual problem, in addition to allowing themselves to be examined by the students. This creates the opportunity of immediate feedback on the entire process of the consultation. Conditions are addressed that should be met to ensure the feasibility of this method.
Binnen het medisch onderwijs wordt steeds meer aandacht besteed aan de kwaliteit van klinische docenten. De minister van VWS wil in het kader van de subsidieregeling van artsen in opleiding tot specialist (aios) de resultaten van ‘tevredenheids-onderzoek’ onder aios zelfs als parameter gebruiken hij de toewijzing van gelden. Het is dan ook belangrijk om bij de beoordeling van kwaliteit van docenten
Inleiding: Om de onderwijsvaardigheden van (huis)artsopleiders te toetsen, wordt in Groningen gebruik gemaakt van een didactische vaardigheidstoets met multipele stations: de PACT. Deelnemers wilden weten of ze (onderdelen van) de toets goed genoeg hadden gedaan. Onderzocht werd welke norm daarvoor geëigend is, passend bij het educatieve doel van de toets, en wat de consequentie zou zijn van het kiezen van een bepaalde norm.
Inleiding: Ook na de modernisering van de medische vervolgopleidingen zal het aandeel daarin van het zelfstandig werken in de patiëntenzorg ruim 90% zijn. Literatuurstudies wijzen uit dat het leren uitvoeren van taken en werkzaamheden waarschijnlijk meer informeel dan formeel gebeurt. Om er bewust voor te kunnen kiezen dat zo te laten of het te veranderen, is antwoord nodig op de vraag: “in welke mate ervaren aios formele en informele leervormen bij het leren uitvoeren van hun taken en werkzaamheden?”
In vervolgopleidingen begeleiden klinisch docenten assistenten in opleiding tot specialist (aios) bij het verwerven van Algemene Competenties. Voor hen is de vraag welke competenties bij welke taken en werkzaamheden van aios waarneembaar en verder te ontwikkelen zijn. Omdat er nog geen overzichten van het takenpakket van aios bleken te bestaan, is in dit onderzoek nagegaan welke taken en werkzaamheden aios tijdens hun vervolgopleiding hebben. De beschrijving van het takenpakket zou voldoende globaal moeten zijn om merendeels geldig te zijn voor alle vervolgopleidingen en voldoende gedetailleerd om kenmerkende verschillen zichtbaar te maken tussen aios van snijdend en beschouwend medisch specialismen, huisartsgeneeskunde en sociale geneeskunde, de vier grote groepen vervolgopleidingen.
Huisartsen-in-opleiding (HAIO’s) volgen na hun artsexamen een opleiding van drie jaar voordat ze hun registratie als huisarts krijgen. Vast onderdeel van de opleiding zijn twee stages van elk één jaar bij een ervaren huisarts, de huisartsopleider. Deze opleider heeft naast zijn taak als huisarts, ook een taak als docent. Voor die laatste taak wordt de opleider geschoold. Opleiders moeten, na een introductiecursus, acht dagen per jaar onderwijs volgen tijdens de periode dat zij ook daadwerkelijk actief zijn als opleider.
PURPOSE:Students often act as subjects during practical and clinical skills training sessions. This routine seems to be quite acceptable for them but may present side-effects. Disorders, sometimes of a serious nature, have been discovered in medical students during clinical skills training. Because the incidence of and sequels to medical problems discovered in medical students during study-related activities are unknown, we carried out an explorative study.METHODS:An anonymous questionnaire was administered to 1132 students (85%) in our medical school.RESULTS:A total of 740 students (65% response rate) returned the questionnaire. Of them 124 (16.8% of respondents) reported 139 incidents. The estimated incidence was 1.5% per year. In 63 cases (45%) the diagnosis of a consulted doctor was known. Pathology (e.g. a ventricular septal defect) was revealed in 30 students (21%), a normal physiological variation (e.g. a functional cardiac murmur) in 22 (16%) and no abnormality was found in 11 (8%). Most of the incidents (65%) occurred during clinical skills training. The incidents were experienced negatively by 35% of the students.CONCLUSION:Based on these findings, we estimate the incidence of medical problems discovered in medical students during study-related activities to be 1.5%. This and the moral and legal implications emphasise that every medical school should realise the possibility of consequences. In our opinion, this realisation should result, minimally, in the development of a protocol for students and faculty that outlines procedures for handling such incidents. Information should also be provided explaining these possible side-effects of medical education.
Inleiding Hebben meer huisartsen dan in 1984 een eigen huisarts en maken zij daar dan ook gebruik van? In hoeverre behandelen ze zichzelf en hun gezinsleden?
In dit artikel komt aan de orde wat het onderwijs in praktijkmanagement zou moeten inhouden en op welke wijze, wanneer, en door wie het gegeven zou moeten worden. Basisvaardigheden op het gebied van management moeten in ieder geval aan bod komen. Bepaalde facetten van het ondernemerschap kunnen facultatief aangeboden worden. Het leren op de werkplek met de huisartsopleider als coach van het leerproces dient een belangrijkere plaats te krijgen. De wet- en regelgeving en financieel-economische aspecten kunnen tijdens de terugkomdagen worden besproken. Naast de groepsbegeleiders dienen de huisartsopleiders betrokken te worden bij het onderwijs in praktijkmanagement. De nadruk van het onderwijs in praktijkvoering dient in het derde opleidingsjaar te liggen.
Bij het vaardigheidsonderwijs in Groningen wordt studenten geleerd een gestructureerd consult te voeren. Onderzocht is in hoeverre het ‘onderwijsconsult’ verschilt van consulten in de praktijk.
This study of educational encounters between a trainer and a trainee in vocational training for general practice investigates the quality of the encounter. The study focuses on the relation between the quality of the encounter and elements such as presence of feedback, duration, use of media, etc. A quality measure based on the Gagné and Briggs model for the design of instructional events was developed. The quality score was correlated with other elements of the encounter as reported in a log diary completed by trainees. In the log diary 45 trainees registered 314 encounters. Quality predictors included duration of the encounter, the number of media (files of patients, professional guidelines) used, the number of follow-up activities and feedback by the trainer on the performance of the trainee. Several elements were identified as contributing to the educational quality of the encounter, such as presence of media, follow-up activities and positive feedback. The trainer can easily control these elements.
Aansluitend op voorafgaand onderzoek waarin met behulp van studenten gezocht werd naar de verschillen tussen het onderwijsconsult en consulten van huisartsen, werd nu de vraag gesteld: hoe betrouwbaar hebben de studenten uit het voorafgaande onderzoek de verschillen tussen onderwijs- en praktijkconsulten weergegeven? Daarnaast werd onderzocht of het consult van huisartsen onderdelen bevat die niet in het onderwijsconsult worden geleerd.
Eerder werd onderzoek gedaan naar overeenkomsten en verschillen tussen consulten zoals studenten die in het onderwijs leren en consulten zoals die door huisartsen in de praktijk worden uitgevoerd. Daarbij werd een cohort studenten geneeskunde als onderzoeksassistent ingezet. De vraag rees hoe betrouwbaar en valide beoordelingen door studenten waren.
The aim of this study was to explore the impact of out-of-pocket costs on Dutch general practitioners' prescribing. A qualitative study using focus groups was conducted. An open-ended topic guide was used to elucidate the influence of out-of-pocket costs on decision making for the treatment of dyspepsia, hay fever, hormone replacement therapy, and hypertension. A total of 21 Dutch GPs from University Departments of General Practice participated in four separate focus groups. These discussions were held between November 1998 and March 1999. Each discussion was tape-recorded and transcribed verbatim. From this transcription, key factors and issues were identified. GPs reported that they do not generally take out-of-pocket costs into account. Fully reimbursed drugs were usually prescribed and GPs felt that most patients were highly motivated and thus willing to pay for their medication. The patient charges were seen to be low and not likely to affect patients' willingness to pay. GPs felt that patients need not have to pay for their medication. They adjusted their drug choice in order to avoid co-payment and were willing to agree to a patient's demand for a reimbursed prescription. GPs describe their prescribing as not influenced by out-of-pocket costs. GPs seem inclined to avoid co-payment for patients when patients have financial difficulties and the disease is perceived as severe. They chose fully reimbursed drugs.
Inleiding Gelet op de centrale rol van de huisartsopleider in de opleiding tot huisarts is de scholing gericht op diens didactische kwaliteit van groot belang. Wij gingen na welke toetsinstrumenten voor deze didactische kwaliteit gebruikt worden en of deze voldoen aan de voorwaarden voor een goede toets.
In dit artikel wordt de indicatiestelling voor en de uitvoering van focusgroeponderzoek beschreven. Dit is een kwalitatieve onderzoeksmethode die toegepast wordt in explorerend onderzoek. Bij deze onderzoeksopzet initieert men in een groep een gedachtewisseling met behulp van een aantal te voren geformuleerde vragen. De deelnemers moeten ervaring hebben met het te bespreken onderwerp. Met dezelfde vragen wordt in verschillende groepen een dergelijke gedachtewisseling gehouden teneinde de meningen van de deelnemers te achterhalen. Er is geen sprake van een poging tot het bereiken van consensus. Met zorgvuldige rapportage van de resultaten van de analyse van de gesprekken wordt de focusgroepmethode afgerond. De inventarisatie van meningen en ideeën levert over het onderzochte onderwerp een beeld op dat later getoetst kan worden met behulp van andere methoden. (Boendermaker PM, Schippers ME, Schuling J. Men neme tien deelnemers en één moderator … Het recept voor het uitvoeren van focusgroeponderzoek. Tijdschrift voor Medisch Onderwijs 2001;20(4): 147–152.)
BACKGROUND:Increasing attention is being given to the training of doctors to become teachers. This does not apply only to the schooling of teachers in undergraduate medical education: at the postgraduate level, general practitioner trainers (GP-trainers) receive special schooling to prepare them for their role. Yet the skills, knowledge and traits that should be expected in the competent GP-trainer have not been elucidated precisely.OBJECTIVES:The aim of this research project is to determine the traits, knowledge and skills required for a competent GP-trainer.METHOD:We used a qualitative method to answer the question. Ten focus-group meetings were held involving three Departments of Vocational Training in The Netherlands. Each group consisted of GP-trainers, GP-trainees or staff members. The transcriptions of these meetings were analysed, resulting in a description of what makes a competent GP-trainer.RESULTS:Five hundred items were obtained from the focus-group meetings, each of which was formulated in the form "A good GP-trainer is/can/knows. ", etc. These items were divided into the following categories: teaching knowledge, teaching skills, teaching attitude and personality traits of the GP-trainer. A competent GP-trainer must understand basic teaching methods and be able to apply this knowledge. The skill to give good feedback was seen as an important asset for a competent GP-trainer, as were observation skills, the skill to analyse and the skill to foster reflection in the trainee. The teaching attitude of a competent GP-trainer is characterized by giving latitude to and having respect for and interest in the trainee, and being available for consultation, while the teaching approach should be individualized. Enthusiasm, flexibility, patience and self-insight were some of the personality traits identified.CONCLUSION:Many characteristics were identified as a result of this research. The next logical step will involve a Delphi consensus procedure to obtain a profile of the competent GP-trainer. This profile will then be suitable in setting the standards for curricula for future GP-trainers.
This article draws attention to unexpected pathological findings encountered by students and teachers when examining one another and/or simulated patients in skills training and assessment sessions.Although no literature on the subject was found, it appears to be not uncommon for students and teachers to find abnormalities during skills training and assessment. It is important that both students and teachers should be aware of this possibility and students should be encouraged to disclose any unexpected findings. Teachers should be given guidelines on the appropriate course of action during teacher-training sessions and students should be informed of the possibility of finding abnormal pathology prior to their participation in skills training and assessment.