WOORD VOORAF 1. Meer dan twee decennia geleden publiceerde ik, samen met mijn gewaardeerde Gentse collega en vriend Patrick Humblet, een studie over het vakbondsstatuut1. Dat feit vormt op zich al een afdoende motivering om werk te maken van een grondige herwerking en actualisering. De wetgever c.q. de regelgever heeft de laatste 23 jaar niet stilgezeten en er is ook heel wat nieuwe rechtspraak vooral van de Raad van State, naast een toenemende belangstelling voor dit thema in de rechtsleer. 2. Het voorliggende boekwerk is echter zo veel meer dan een loutere bijwerking. Daar waar de eerste uitgave nog hoofdzakelijk beschrijvend was, hebben wij in deze nieuwe versie de regelingen (in het meervoud) van de collectieve arbeidsverhoudingen in de publieke sector zeer kritisch tegen het licht gehouden. We zijn daarbij op een ietwat alternatieve wijze te werk gegaan door ons niet te beperken tot traditioneel rechtswetenschappelijk onderzoek. Vaak gevoed door een gevoel van verwondering2 hebben we zeer veel vragen om opheldering geformuleerd aan het adres van experten. Hun antwoorden die af en toe ook wel ontluisterend waren, hebben ervoor gezorgd dat onze analyse van de regelingen van de collectieve arbeidsverhoudingen in de publieke sector zo veel mogelijk doorleefd is. Het feit dat het aantal bladzijden bijna verviervoudigd is, vormt alvast een eerste, kwantitatieve indicatie van de grondigheid van onze aanpak. Tegelijk zijn wij ervan overtuigd dat ook de kwaliteit recht evenredig is toegenomen.
Gedegen onderwijs is van wezensbelang voor de samenleving en de economie. Van oudsher vormen de organisatie en de financiering van het onderwijs een belangrijke overheidstaak. Van tijd tot tijd, en van land tot land, verschilt hoe intensief die overheidsbemoeienis is, maar ook in uitgesproken liberale markteconomieën is er op dit vlak veelal een prominente rol voor de overheid weggelegd. Zeker wanneer de financiering van het onderwijs in hoge mate met publieke middelen gebeurt, heeft de overheid ook een aanzienlijk belang en dito betrokkenheid bij de arbeidsvoorwaarden van het onderwijspersoneel. Alleen al omdat dit personeel zo belangrijk is voor het dagelijks welzijn en voor de toekomst van de aan hen toevertrouwde leerlingen en studenten, moeten hun rechten en plichten goed geregeld zijn. Aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden zijn bovendien cruciaal om voldoende gekwalificeerd personeel te kunnen aanwerven en binden. In dit artikel bespreken wij hoe de arbeidsvoorwaarden in het onderwijs door middel van collectief onderhandelen vorm krijgen. We gaan daarbij onder meer in op het zogeheten overeenstemmingsvereiste, dat in Nederland in 1993 is geïntroduceerd om volwaardige en vrije collectieve onderhandelingen met overheidsinstellingen te waarborgen. De vraag is of dat doel werd bereikt. Daarbij ligt de focus op het onderwijs, maar voor een goed begrip komt ook de bredere context van het Nederlandse ambtenarenrecht aan bod. Ter afronding van het Nederlandse luik volgt een korte bespreking van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, die tot de afschaffing van het overeenstemmingsvereiste zal gaan leiden. Het tweede deel van deze bijdrage omvat de vergelijking met België. Wat zijn de gelijkenissen en de verschillen? Zou, rekening houdend met de resultaten van deze rechtsvergelijkende oefening, het introduceren van een overeenstemmingsvereiste naar Nederlands model kunnen werken in de Vlaamse onderwijscontext? Of moeten we andere lessen trekken uit de ervaringen in Nederland? Het opzet van deze bijdrage bestaat erin om, aan de hand van een rechtsvergelijking tussen Nederland en Vlaanderen, de verschillen en de gelijkenissen te onderkennen op het vlak van de arbeidsvoorwaardenvorming in het onderwijs. Deze comparatieve studie is vooral bedoeld als een bron van inspiratie voor al wie begaan is met de collectieve arbeidsverhoudingen in de publieke sector in het algemeen en in de onderwijssector in het bijzonder. Arbeidsvoorwaardenvorming in het onderwijs: een vergelijking tussen Nederland en Vlaanderen
Public management reforms have promoted a new type of public career: boundaryless employees following lateral career trajectories in different organizations. The literature opposes boundaryless careers to the traditional career for life, based on vertical trajectories of promotion and tenure. The implicit image of the boundaryless careerist is one of fast-moving, intrinsically motivated professionals who self-direct their career across "old" organizational barriers. In this article, we study whether boundaryless career mind-sets are the vanguard of a more flexible and mobile workforce. We describe how many public employees experience boundaryless career mind-sets, and we analyze what drives them. Our research shows that boundaryless mind-sets are still rather exceptional. The traditional career mind-set within the organization prevails and many employees are very satisfied with it. Only public employees who are highly educated, invest in their own career and networks, and were successful in previous mobility experiences report a boundaryless career mind-set. Nevertheless, our research also points to a higher potential for boundaryless career mind-sets.